309
langzaam en worstelend uit 't nachtdiep opgloeiend, in pracht van wild fakkel-rood en woeste schijnsels rondtooverenden gouddamp, van lampetten op kar-stalletjes.
Brandrossig licht van flambouwen was hel aangegolfd over de voorste oranjiggloeiende tronies, en plots hief de eerste koppen-rij van den al zwellenden reuzenstoet, onder aanrauwenden gilzang, een slang vurige lampions, hei-rood de lucht in, damp walmend en bloedende schijnsels nèèrglanzend over de hossers. Kronkelende vuurlijn zigzagde en slangkromde 't hemelduister in, ver, vèr wijkend naar achterste boulevard-eind van Baanwijk. En telkens trekkend door anderen lichtglans van avondsferig gegloei en mythologische vuurspuwing, vlamde de vurige slangekronkel boven de hossende, grillig lichtende, dan weer wegduisterende woelkoppen. En in brullende razernij, onder voetendreunenden massa-stap, krijsollte dóór, eindloos lallende jammer van verzopen menschenstemmen; schelden en bibber-zangden de vloei-jeukende mirlitons, snerpten de pikolo's, tokkelden fluitzwierig mond-harmonika's, dwars door den dronken schrei-zang heen. —
In roode dolheid trampelde de reuzenstoet Baanwijk äf in al sneller tempo, verder, vérder, dat de vuur-kronkel der wiegelende lampions als 'n enkele bloedstreep achter boomendiep, 't peilloos luchtduister insneed. In vèrzwakkend rumoerge-rucht, vergalmde gesmoord nog hun krijschzang uit de verte, zacht omroffeld van warrig lawaai, en al verder de stoet ver-duizelde in den eindeloozen kermisnacht. —
Uit zijgangen en kronkelpaadjes, duister en eng, stortte van verbrokkelde stoeten zang neèr en raasden de straatorgels. Duizenden mirlitonsmonden scheurden nasaal-trilrige deuntjes door de lucht, harmonika's drensden om zuurstalletjes, en armzalig-droef en mager-klankend roffelden piano-orgels als zingende vischwijven, liederlijk-rap en kanaljeus hun liedjes af. Klankhoos op klankhoos zwirrelde rond. De huizen kaatsten krijsch en galm terug ; deuren en vensters sidderden en de ge-