297
'm gebeurd was. De knaap had stiekem z'n heelen kop onder de pomp geduwd, dat 't water langs zijn wangen droop, z'n haren plakten en sluikten langs de slapen. Nou voelde ie zich weer doorrild van frischheid, galmde ie z'n kermislied uit, met schorren klank in de zonnende ruimte rondom. — De Ouë wègklompe-rend, hoorde nog lang achter z'n rug Piet's stem :
—■ Oooaauw wat 'n Ska-ande, Loage wroak van En-ge-land.
Kermis woelde door, en gloedkrateriger stond in den avond 't stedeke in brand, laaide ruischend z'n ros-gloeiende flambouwenhei ópen, waarin demonisch-donkere stoeten uit en achter tentduister en vlammenlicht inhosten, met woest-duistere sprongen en gebaren van kannibalen om nachtvuren.
Toch met den Zondag, kwam pas 't échte kermislawaai, van alle plaatsen tegelijk. Op den middag, — uit de treinen, uit tentwagens, uit reus-bakkige bolderende Jan-Pleziers, lodderig als melancholieke tufs-tufs, — drongen de stoeten aan, van Lemper, Kerkervaart, Duinkijk, Zeekijk, Overschie, van overal.—
Heel 't omliggend platteland was leeggeloopen en opgestoet naar de Wierelandsche kermis. Vee- en kaasboeren met schom' lige vervette buiken, tuinders, kweekers en zeelui van Dijkland en al 't landvolk, dromden dooréén. Pracht-omsjaaide be-vlagde boerinnetjes, met d'r kleurgrillige mantels, bontvervige lijfjes, rokken en vonkend gouden koppen, verdrongen elkaar, hortend, stoeiend en woelend in zwirreling van bloote armen, bontkleurige schouders, lachende tronies, blank en glimmend; omlegerd van schoremzootjes, saamgeplet met dronken, uitzinnig krijschende zwierders, en teruggemalen tusschen aanzwellenden kruisgang van al nieuwe kermisjolers.—
Zoo duizenden en duizenden, op den middag al, verwoelden in 't enge ruim van Haven en Baanwijk. Kleur-zwirrelende menschenzee golf-deinde en klotste, bruiste en schuimspatte rondom, tusschen de pronkspullen en tenten, kramen en draaimolens. —
Tegen den avond pas bulderde aan, 't groot-geweldige donk're