290
de trap. ■— Klaas Koome raasde wat tegen de luchtschippers die de sloepen opschoten, zonder den nijdas te woord te staan. Jan Grint, Henk Hassel en de anderen dwarrelden tusschen de aanhossende groepjes, toch niet te vèr van hun klub, tukkig loerend op alleen staande meiden, die meegesleurd wilden worden.
Bolk was verschrompeld en bleuïg, met z'n platten polypneus berossigd en begroend, z'n grillig bevlamde tronie de hoogte inkijkend, tusschen 'n troep meiden weggeschuchterd ; voelde zich niet meer thuis in 't lawaai. Dat hadden de kerels wel begrepen en daarom 'm half aan zijn lot overgelaten. Op weg naar de Grints hadden z'm ontmoet. Hij moest mee, of ie wou of niet.
In 'n hos-storm was ie toen meegesleurd omdat ze nog wat jool met den ouen rakker wilden hebben. — Maar onder den wandel naar meiden en kermis wouên ze'm al weer kwijt. Nou stond ie daar nog voor de luchtschommel, bang-opkijkend naar de sloepjeszwier hoog in de lucht, — in zijn tijd nooit bestaan — z'n ouden kop omkolkt van geraas, bemokerd van dreungelui-den. Telkens schrok ie öp, dacht ie dat 'n sloepje, rakelings langs 'm scherend, tegen z'n harsens zou aanbonsen. En telkens weer verschool ie z'n klein krom lijf schuchterder achter 'n woest-gillenden meidenstoet, bijzij de tent verwoelend, rossig aangegloeid in flakkering van flambouwenvlammen.
Dirk met Geert, 't mooie zwartje, slingerde 't hoogst boven tien sloepen uit. Rink rukte als 'n bezetene aan de stangen, dat ie plots in ontzettenden zwier-zwaai met Cor boven tentdak uitzweefde. — In luchtzuigende vaart schoten de schommels óp en néér, scheerden den vloer, zwierden weer öp, plonsden weer neer uit bang-duizelenden slingergang. En hooger, in woesten naijver op elkaar, schreeuwend en lallend, zetten de kerels öp, lijfzwaar zich schurend op de meidlijven bij eiken terugzwaai en smak naar achter, de tent in. —
— Set d'r op Dirk ! set d'r op ! barstte Geert uit, in heeten schater om haar hoog-dolle vaart, met rillige gloeiingen in 'r lijf van schommelgenot, d'r wellust-woeste oogen strak op Hassels koeienkop gebrand. Dirk voelde 't warme zweetlichaam