282
Dirk minstens 'n paar keer Guurt te treffen. Nou moesten de meisjes mee met hèm. Ze stonden klaar aan de deur, liepen naar voor, naar achter, popelend zenuwdruk, gejaagd. —
Toen ze de mannen hoorden aanstappen, en de vooruit schallende schreeuw van hun zangkelen 't pad ópklaroende, stapten ze hun huisje uit, zoenden moeder Grint, vader en kleuters, en volgden vlug de lustige bazuin-juichende knapen.
Dwars door hobbeligen duinweg, op polderkant aan, ging 't los.
Piet, Rink en Dirk joedelden in dolle dwarse sprongen, Piet nog op z'n klompen, om lekkerder straks te klakkeren en klosmeppen op de tentplanken.
In slinger-rij, de drie meisjes omarmd-ingehaakt, zongen ze den duisteren avondweg af, die zomerstil lag te suizelen in heimvol geruisch, onder donker bleek-sterrenglanzend azuur.
Rauw krijschten de kerelsstemmen door den gil'rigen vrouwenzang, in opgewonden passie 't kermislied uit.
Arreme frouw en kin.. d're
Stuurt men noar de moordenoarskampe haine..
Aooaauuw ! waa't 'n skande Loage wroak van En-gè-land !
En telkens met iets bloeddorstigs hysterisch in den nationalen zangkrijsch scheurden door 't avondstille, week-gol-vende duinpad, in zwenk van alle stemmen plots, de rauwe geluiden bijéén, een sleurige zeil van gloeiende passie naar 't refrein :
Aooaauw ! waa't 'n ska-ande !
heel 'n leven van wraak-bloedige dierlijkheid en woede er in uitbrallend.
Midden op den dwarsweg trad plots 'n donker stoetje, ook brullend en zangbruisend bijeengehaakt in slingerrij, woest tegen de Hassels en Grintjes insliertend.