289
rose en goud-randige ornamentiek, vèr-echoënd in kleurigen warrel tusschen vuilig vergroende spiegels. Overal glom gloei van koperen bakken en meelpotten, 'n schemer en flonker van goud en hel licht, tusschen de hooge, lage, dwarse en hoekige tenten en spullen, aan weerszij, dol van schitterig bonte fleurigheid.
's Middags opende de kermis met klein gejoel pas van kinders, jochies en meisjes, feestelijk opgesmukt in Zondagsplunje. —
Op havenkant was schorriemorriënder spullenlawaai saam-gedromd ; de schelle klingeling en 't heete galmend belgeraas van draaimolens, 't gebons van karren tusschen 't eerste ge-moker en gedreun van vaste standplaatsorgels, vóór of in de spellen. — Dienstmeisjes koekeloerden, jongens schaterden en kinders gilden en sprongen als razende konijntjes, overal rond.
Tegen den middag was de zon weggebleekt, na de kermis met fonkel en gouden glans te hebben ingehaald. Maar zwoel en broeierig bleef Augustushitte zwangeren uit druilgrauwe lucht, boven 't woelende stedeke, grauw-paars boven orgelenden haven-woel en Baanwijk-boulevard.
Dirk, Piet en Rink van den polder, hadden zich voor de kermis samengevrindschapt, loerend op de meiden van Grint. Jan Grint, uit eigenbelang, om Guurt meer te ontmoeten, school bij hèn ; Geert en Trijn, Corrie en Annie weer bij Jan, om vrijer overal in te draaien en mee te lollen. — Klaas Koome, de Hazewind, was bij de nèven Hassel getrokken, half gelokt met ruim geld, als spotkracht en durfkerel, en om sterker dan zij durfden, de meiden van Grint naar hèn toe te tronen. De meisjes voelden den aandrang van twee kanten, hurkten bangelijk in den knel. Maar Trijn wou niet dat Geert d'r hoofd zou breken, om die narigheidjes. Wat kon hun 't schelen hoe 't gaan zou met die vijandelijke kerels, nou ze zelf overborrelden van heerlijken kermiswellust. Zou wèl losloopen.
's Avonds stapten Dirk, Piet en Rink op 't pad, gingen ze Jan Grint halen. — 't Speet de meiden dat Jan niet bij de nèven hoste, de neven met den loodpot! Maar Jan was zéker bij