280
II.
Zwellend gerucht van kermislawaai ging door 't stedeke. De orgels bleven doorrazen in valdreun van joelklanken. Zon bleef gloeien, haalde de Kermis in, met helle lichtflonkering. In den roes van 't orgelgeschetter verkookten de meiden en kerels hun passie voor nachtpret. Ze beefden verbijsterd onder dreun, deun en zangschetter, en in bloedbruising gistten ze ten dans, in wilde extaze, vastgrijpend wat er voorkwam, de brandende wellustmonden open, om telkens op nieuw weg te duizelen in 't rond, al in 't rond, tot ze neerstortten tegen de keien en karren.
Van 't land en uit de werkerswijkjes kwam sterker druisch en jubel, op den dag telkens gesmoord. Maar 's avonds in de stille straatjes, aangehitst door 't van verre aanklankende orgelgerucht, barstte de jool ópen als 'n vuurlong van krater. Hoog spoog de kleurhitte van hun passie boven huisjes, tenten en boomen, en gierende zang en zuip van een en anderen kant, botsten al op elkaar in.
De kanaljeuze meiden van de groentenfabriek, de groenboerenknapen, de wijven en vrijers, jochies en kinders, alles trok op, in den nabroeienden zomeravond, hurkten, hortten en joolden naar de kermis, de heilige kermis.
Pastoors en dominees waarschuwden plechtiglijk en star, maar 'n heete hoon-schater van de knapen raasde hun tegemoet, dat ze zwegen en stom aftrokken.
Eindelijk dan stond de heele lange Baan wij k-boulevard vol kramen, tenten en spullen. Ze leek 'n diepe allée van flonkerende kleuren, schijnsels en lichtvegen; flonker van poffertjeskraamruiten en gebrand glas, met kobalt, brons-gouden en rood-groene sterreling van deuren ; flik-flak-zoetige toetsjes van