279
spoorbrug 't grasveld op, te gaan kijken naar den luizentroep, die van verre, stil in eigen sfeer, z'n brandend brio en traag-geschooier bleef verzwij melen, —
Van woeligen havenwal äf, tegenover 't polderstille wègge-schuwde zonnige grasveld, stroomde 't zonnelicht in kleurigen klots néér op 't bruin-groene watertje. In troeb'lige golfjes kabbelden daar in zonnewiegel, de kleur-zengende kermiskarren, onderste boven. Ze gloeiden en plasten daar in 't hel-bezonde havenwalletje, als met vurig zwam bestreken ; de wijven ómge-keerd met hun roode, paarse en groen fluweelen rokken, hun vleesch-gore malots, de blonde en roode kinderragebollen; de omgekeerde naakte morsige lijfjes; de wagens met hun rauwen gloed en uitgespuwd verf-bloed, schel vernist in de Augustus-zeng, strakke trillende polderhitte en warmtenevel, inzuigend 't helle licht in den alkleurigen zongloei, verscherpend de vlam-felle ommetrekken van karren en wezens, tegen den blau wenden polderhemel in.
Zoo dreef de melaatsche hellestoet, in vulkaan-kleurige hevigheid neergezwamd op 't nat van den walstroom, zwabberend en verkruivend in de waterrimpels en 't golfgeklots, omkabbelend pramen, tjalken en schuit-vervoer. Zoo leefde daar twéé keer, brok bestaan van zomersche kermismisere, in de trage zonnige slaperigheid en den loomen zwijmel van niets-doen ; één keer op 't doodstille grasveld, aangeschuimd in de kokende kleur-klater van licht, de hel-kleurige karrenrij in den smorenden zeng van zonnedag; andere keer, in 't walletje, 't overgloeide water, karren en wezens omdraaiend in de spiegeling van 't brandende licht, dooreenvloeiend in heeten kleurenwarrel.
En rondomme van de Haven roffelden de orgels, snerpten de fluitenaars, trompetten en basten de registers hun demonischen klankenorkaan, tusschen rauwen mensch enzang en schetter van kermisinstrumenten.