278
zonning. — En rookige walmbenauwing van de straalkacheltjes, verwoei wolkerig over hun verstoofde bloote armen en beenen, en morsige lijven.
Akrobaatkerels en draai-orgelaars schuimden daar samen met uitgestooten schooiers en landloopers van den omtrek, bedelaars en manke mirakels, zich veilig voelend in de boevige broederschap der kermisklanten, hinkend en lollend onder de goochelaars en kijvende waarzegsters.
In Oosterschen gloei zwirrelde tegenover den meidenstoet 'n vrouwenkeet, afgebeulde kijfkoppen, waaronder zeerig-beklier-de, bevrat en bepokt, met bloed'rige vlekken onder d'oogen als moordmaskers in melodrama. Afgezonderd op kachelrand zat één jonge vrouw, mooi-Carmenachtig gloeiend 't zwart-blauwe prachthaar, met 'r droef-verliefde hondenoogen te staren in de lucht, verwiegelend 'n versnotterden slapenden zuigeling op d'r knie. Als 'n paar orgeldraaiers van hun rondgang door 't stedeke, 't grasveld opreden, wuifde en kruifde plots 'n waaierspel van hel-rooie, blauwe, gele en wit-gore rokken óp achter de wagens van den meidenstoet, bradend op den buik in zonnevuur. Dan kwam er danspassie onder de heksen en jonge meiden, kieke-boeden wat tronies en halve bovenlijven uit kardiep, ontblooten zich brokken van kammende en kleedende armen. En achter de orgeldraaiers liepen mee, centenophaalsters, donker-harige meiden, slank en kanaljeus in hun groen en paarse afgesleten fluweelen lijfjes, vurig met hun kleur-gloeiende hoofddoeken als zigeunersche kappenbrand van Spaansche cier op de pracht-donkere haren. En langs de slanke heupen, tenger en wulpsch-elastisch, krioelde 't van kleurige doeken, en om de meidenschouders vonkte 't van goudspatjes, vurig gevlam van roode en groene sjaal-franjes, bonte en warme cier van zuidelijke passie-beesten. Er ging geschuifel tusschen de karren bij hun ommetocht, er verklonk gevloek en gelach op de kar-trapjes, in 't wagendiep, en uit den meidenstoet, met d'r kinnen ingehaakt op handen, rolden al meer paren wég, 't grasveld óver in brandenden zonnezwijmel.
Geen sterveling van fatsoenlijk Wiereland durfde over de