276
één braking van rauwen gloed, van onder zengend 't gras, van boven zengend de lucht, 't eindeloos-aangroeiend polderblauw.
Als 'n drom harig begroeide apen kropen de trage wezens, loom dooréén in den zonneblaker; kammende wijven, hekserig en brutaal, naakte kinders en verlompte meisjes. Tusschen blauwig-triest gerook van kleine straat-kacheltjes, midden op 't veldje, hurkten smoezelige tooverkollen met sproetige zuigelingen. Daar naast rengelden, wijdbeensch-achteroverenlig-zittend 'n paar jonge meiden in oostersche sfeer van siësta-traagheid, schreeuwend om beurten tegen 'n stoet je kerels, zwart als kolenbranders. Tusschen de kacheltjes aan eindhoek, stonden traag konkelend, donkere kermisgangers in 't trillende walm-zwart van den rook, elkaar te bescheiden, en jonge meiden, in verkaalde fluweelmisere-jakjes, — paarsig en donker smartenrood, gore restjes van pronk'rige akrobatenplunje, — scholden méé, woelden zich in de loshangende ragebollen, omzengd van karren-gloed en kleuren vlam van knetterend-heet en zonnedag. Al meer belompte vrouwen waggelden aan uit miniatuurdeurtjes van karren, 'n Walg-stank van zurige ellende walmde öp uit de kleur-heete kermisplek. En vreemd, in Spaansche der, ging tusschen den zigeunerigen kleurgloei van hun wagens en rommel 't brio van hun versleten opschik en rauwe behaagzucht; spaansche cier daar wreed neergeluierd in de schroei-felle zon, over-golfd van licht, naakt-gezengd in den dag, versmart en rampzalig in den verbij sterenden vloek van hun helsch-bonte vurigheid; rampzalig in het verzweetende blanketsel van hun cirkuspronk en passie, overlaaid in zonnigen smoor met de bloedroode en geel-férose verf van hun huiverig-opgesmukt, moordend ellende-bestaan.
Vrouwen met bloote borsten sleurden kinderen mee bij de haren, in de krot-nauwe karren. Andere, spiernaakt, werden weer de holletjes uitgestooten, schreeuwden en grienden, vluchtend naar versten hoek van grasveld. Telkens monsterden nieuwe harige koppen öp uit de lage wagen-deurtjes, plots wègduikend in 't vuil-diepe kamertjes-binnen van kar; verschenen dan weer, kiekeboeënd in gesprek-schreeuw met