275
ze heen naar huizenkant van Haven, tusschen karren en geboomte doorzwenkend, uit schrik brutaal scheldend en hoon-zwaar uitfluitend de kermisgasten. Zoo van ver, keken ze dan met stil genot, naar groei en vleeschwording van al de tenten, draaimolens en spellen.
Eén breed en hoog lattengeraamte stond er al boven alles uit, 'n schouwburg waar kerels tot in den nok hurkend hamerden en klopten, in davering van scheepstimmerwerf. Schouwburggeraamte was zoo vlug verrezen dat de tuinders 't bijna niet hadden zien bouwen. —
Aan stillen kant van 't haventje, onder polderdijk, schooierden bijéén, op 't hei-groene grasveldje, de bonte kermiswagens. Als melaatsch menschgroepje hurkten daar saam, de verluisde kinders, meisjes en vrouwen met hangende haren en vervuilde ragebollen. Hun morsige bloote voeten ploeterden in 't warm-zonnige gras.
De wijven daar, met rottende lompen aan 't slobberig lijf, zwijnden rond hun kermiskar, en boevige kerels, rossige en donkere, luierden op de balustraden-trapjes, pijpen den mondhoek ingebeten, rookten vadsig in zonnebroei. Rond hen zwirrelde maar 'n trage warrel van 't beestig-morsige kinder-kriel, krijschend, joelend, bevuilend 't grasveld, dat helgroen vlamde onder kleurig-melaatschen menschenkluit.
Eén dag vóór de kermis was Augustus-zon weer doorgevlamd achter wolkgrauw, zette 't plots bewoonde, anders doodstille grasveldje, met z'n stinkende luier-ellende, in groenen lichtdaver, en kleurenbrand. De fel-bonte kermiskarren, eerst dof en druilig onder grijs-stugge hemelstolping, blakerden en vlamden nu óp in *t' gras, de plankige kasten, hard geel, wreed-fel geel en rauw Zaandamsch hutjesgroen, féros en wrang in den zeng-gloei van smoor-dampende Augustuszon.
Rood-bruin de hekjes en balustrades, menierood-helle pilastertjes en wielspul, kanarie-gele en meloengoüd-vlammige zijwanden, scharlaken assen-spul en spaken, zoo gloeiden ze tegen lekaar óp, de kist-lage kermiskarren, als één brandende kleur-rij;