266
reuzengrot boven 't land, waar kleurige nevel doorheen woei, in stoei en spel, van grotgeesten, in-en-uit. En rond 't roo-kende loof verschuifelden de glansen van dag-goud en grasgroen, onder de werkende luchten, vol regengrauw en paars-duister onweergedreig.
Na 'n uur dook zon weer wèg, vertraande z'n bleek-gele waterige tronie achter droef-grauwe wolkburchten, stortte regen weer neer bij hoozen. En over de avond-akkers bleef 't donker ruischen, soms kletteren door bladloover, heel vèr en snaterend-monotoon.
Ouë Gerrit beefde, snikte van angst als in wolkdonker, 'n vuurflits 't fosforesceerende zwerk vlammig doorzeisde, zonder dat donderslag nadreunde. —
's Morgens, zóó uit angst-doorschokten korten slaap wakker gejaagd, keek ie 't eerst naar z'n boonen. Dit jaar had ie moffen-boonen bijgeplant, waarvan ie ook nog heel wat mocht verwachten. Maar ook dat gewas stond hoe langer hoe slechter. Met angst in z'n oogen keek ie schuw naar den bloesem van de hooge stok-boonen, of 'r niet te véél verdorden en afvielen. De paadjes daar, schemerden wit van bloesem. En in z'n angst zag ie 't al erger sneeuwen, vol afgewaaide dorrende bloesems, 'n Paar dagen had ie achtereen in huis, wat bollen gesorteerd. Maar nou, met de rooi van wat narcissen moest ie eruit, sorteeren op den klefferigen modderig verzogen grond, omdat zulk goedje altijd buiten liggen bleef. En de kerels, achter 't erf, en op de Beek, tusschen de aardappels en kooien, stonden verzopen en verflodderd van regen en nattigheid, te wroeten in de vunzige aarde. Soms zóó doorzogen tot op 't hemd, dat ze zich iederen avond d'r regen-stinkende kleeren uit te wringen en te verdrogen hadden boven vuur. En voort over de zomerlanden joegen de grauwe wolkensteden, laag, bang-dreigend, vol duis-ter-paarse ontzetting.
Soms kon Ouë Gerrit de heele boel geen drommel meer schelen, al bralde en rotsblokkig-roffelde en stortte 't onweer in, boven z'n kop, al flitste 't vuur zig-zag vizioen-snel door den hemel, al had ie z'n centen voor pacht en hypotheek nog voor