2ö2
lend in gang, trokken de werkers drie maal öp naar de groote stad. Het groote kargerucht, de hos van 't landvolk, — één in hun epischen samengroei van man-paard en kar-en-koopwaar, verklonk als onweer al over de bekeide straatjes. De Haven daverde van herrie en hartstocht-koop der venters.
Op 't land trapten de kinders, nu vaders en bazen naar stad waren, de verdorde erwtenranken öp, de goud-gele slepende haarbossen. In alle tuinderijen nu, schemerden tusschen jong-groeiend boomgroen en boerenkool, de goud-verrotte leeggeplukte erwtenranken, soms éven zonnig overgloeid, als brandende braam, vlam-roerloos. In enkele dagen fladderden de bossen op de rijzenpunten, harige kopgedrochten op pieken, hóóg tegen donkere lucht. — Aan voet van rijzen, waar 't stroo opgehokt stond, bloeiden al weer late sperzie- en snijboonen.
Ouë Gerrit wou niet drogen op rijzen, in dat vuile weer ; smakte de ranken op hoopen bij modder-greppeltje achter 'terf, toch zuinig ze bewarend voor koestrooisel. Kees was druk in de weer, rankte nieuwe aardbeibedden in, en zuiverde ze van vuil. —Elk half uurtje, tusschen marktgang, werd gewied. Heele akkers met leege rijzen bleven nog naakt de lucht inpieken, om dat er geen tijd was ze op hok te smakken. Toch waren ze blij, dat de aardbeipluk gedaan leek, al kopten ze nog wat mandjes. Van de vroeg-soorten begonnen de blaadjes al rood te gloeien, bloedrood en meloen-goudheet bezoomd, sterfzang van 't loof in den zonnezomer. Andere bedden kwijnden met roest op 't blad, door plotsen guren omdraai van weer, wind en regen, in 't hart van groei en bloei geslagen. —
Ouë Gerrit gromde van 's morgens tot 's avonds. —
Het was geen lavende zomerregen meer, die als 'n koele dronk neersuisde op 't land, en tegen den avond, over de akkers zangerige regenruisch verzong door de donkere boomen en 't loof, er dan zuchtte als ademhaal van orgelregisters ; dan droomerig tikkelde en zacht knetterde heel fijn en weemoedig,—maar 'tbleef 'n nattige wind-wilde regenzwalp, 'n modderig plassende, dorrend-vernielende grauwe nattigheid. — Ouë Gerrit vloekte, vloekte, onder 't inranken van de beplaste aardbeibedden. Wat ie aan-