257
je vaif uur achter mekoar plukt hep, mö' je rais kaike wa' je hep.... puur niks meer aa's 'n poar mandjes !
— Joa... aa's je soafes stopt, soek je vast noa wa' je daan hep !
— Nou, je bint t'r nou op kommende waige hee ?.. .. Moar ikke mot d'r nog 'n dot plukke ! de Ouë is d'r puur tuureluurs van, nou die soo feul kwait kèn aa's tie wil!
Stil 'n poos bleven de kerels doorkruipen, ritselend in de struiken, afknijpend de zwartgloeiende vruchtjes, ze bij trossen smakkend in groote blanke sloffen voor hen uit, op 't stovende reuk-bedrenkte gras. Rond ze heen, in struik en teelt onder vruchtboomen en hagen, gloeide middagzon, 't Groen stroomde lichtglans af, zilverig, goudvlammig en fijn beschaduwdoezeld in al andren gloei, tegen 't licht. Onder de dichtgegroepte vruchtboomen lommerde 't koel als in 'n kreupelboschje. Enkele in hoogen uitgroei waaierden wat kronkeltakken uit, betrost met appeltjes, zacht rose blozend als warm gestoeide kinderkopjes. Overal onder getwijg, groen en rozerood, vlekte vruchtglans tegen doorschemerend luchtblauw, takkenprieel in zware dracht van vruchten, die vergoudden in vloed van zonnevuur. Kleintjes zwollen de vruchtjes aan, dof, tintwarm en pastelteer. Vlak bij den mossigen stam verdrongen ze elkaar om licht en lucht. Wat takken, harpig uitgebogen, goud-groenden in zonnejool en appeltjes gloeiden daar in glanzenden wasem. In wilderen uitgroei stonden de pereboomen, bronzig-dof bevrucht en de pruimen, donker voldragen, groen als groote olijven. Op naakten hoek tegen luchtblauw in, stronkigde vlak vóór Kees, op woest onkruid-plekje, één appelboompje, smal en ten-ger-rank voorover gebogen, luisterend naar de zoemende zomer-geruchten.
En rondom vervloeide de geur van dooi stoofde gouden vruchtenhofjes, zélf behageld van rozeroode wang-appeltjes, nog gesmoord in groeigloed. Afgevallen peertjes en appeltjes ver-wurmden bleekgroen en gelig, overal verwaaid en uitgestrooid onder de boompjes in 't heet-geschroeide gras en onkruid, tusschen kooien en zoete fransjes.
II. 17