253
Avondlucht azuurde in prachtblauw kuisch en doodstil, schoongeveegd van wolkjes, in glansenvloed. — Zon straalde lager, in al wonder tooverrood op den stillen aardbeihoek, op de hurkende kindertjes en werkers. De groenende bedjes vlamden zacht, en de rooie vruchtjes glansden en geurden zoetelijk bedwelmend. En over de kruipende werkers weefde en fonkelde: uit, één rag, goud-glanzend web, gespannen van akkerhoek tot akkerhoek, omlichtend handen, gezichten en kleeren, in too-verzachte vurigheid. —
Ant kon niet meer. Haar zwangere zweibuik hamerde en trilde van leven. In de laatste maand, nog twintig dagen, en 't kind was 'r. Haar rug brandde van heete pijn. Heel stil was ze naar 't eind van haar aardbeiregel gekropen, vlak bij 'n brok haag, waar 'n appelboom laag-takkig kromde. Daar moest ze heen, om zich op de been te zetten. Want schamen deed ze zich voor de jolige nestjes van meisjes om hulp te roepen, te vragen om steun, of haar op te trekken van den grond. — 't Was 'n lange zware dag arbeid geweest, veel te lang, voelde ze zelf heel goed, en ze verlangde döl naar Wimpie, hevig en gejaagd. Ze had 'm gezeid, dat de drukte van den haal niet zoo heel lang meer zou duren, en dat ze met vader samen thuis zou zijn. Hij had zwakjes in z'n handen geklapt, gejuicht en met z'n zandzakken tegen 't achterend van z'n ledikantje gestommeld, zoo koortsig vroolijk voelde ie zich in z'n beenen. — En als ze'n half uurtje vroeger thuis kwam, juichte ie sterker, overrompelde hij 'r met zoenen. —
Nou wou ze opstaan, maar ze kon niet. Op 't eind van 't aardbeibed, greep ze in stumperige onbeholpenheid naar 't krom-gegroeide dikke appelstammetje, probeerde zich zuchtend en hijgend op d'r beenen te hijschen. Maar 't ging niet. Even van den grond opgesjort, voelde ze haar armen slap en kramp-trekkerig in den pols. En met 'n smak, in klammen uitgloei van zweet op 'r hoofd, viel ze weer terug op de aarde, tusschen de bedjes, duizelig en aèmechtig. Kermend was ze ingezakt, dat de kinders achter en vóór d'r kruipend omkeken, opschrikten, en dwars over de bedjes naar Ant toeschoten.