251
Helpstertje was uit 'r hurk opgestaan. Haar gezichtje krampte: nog smartelijk van pijn en 'r bloedende vingertjes beplukte en zoog ze af, onder 't luisteren. —
Langs de struikbosjes kruisbessen die flonkergoud gloeiden in. avondschijn, prachtig en vochtig als lichtbolletjes, overal tus-schen 't groen, wrong ze d'r mager karkasje, schoof ze, telkens-'r vastgehaakt rokje lospeuterend, in ongeduld vóórt, naar de rooie bessen, die zwaar betrost glansden in glazuur lachje van prachtrood. —
Den bak sjouwde 'r Kees na, volgeplukt met slanke mandjes kruisbessen en ertusschen 'n nieuw soort groen-paarsige, als groote glazen stuiters, spiralig bekleurd van binnen. — En de goudfelle zonnige knikkertjes er naast, in kleinere slofjes. —
Zachte zomeravonddamp waasde over de tuinderij. Elke hoek goudde óp in rood wazigen zonneglans. De omgewerkte grond, vol gras, onkruid en gewas, verschemerde zacht toover-vuur onder de vruchtboompjes en rond de lage kronkel-stille• stammetjes vervloeide 'n lichtend rag, aureolenglans. —
Telkens uit anderen hoek in den stikvol beplanten tuin dook 'n werker öp, goud-rood overgloeid, gereedschappen in de bronzen wroethanden gekneld. Ouë Gerrit scharrelde met spa en hark onder de pruim -en appelboompjes. Hij kroop half onder 't lage getak door, dat al bukkend, 'n stuk van z'n blauwen kiel, in den rooden avondbrand vervlamde, dan weer z'n baardzilver overgoot in wondren glans. De roodgegloeide struiken en vruchtstammetjes onder z'n voeten sidderden in den heiligen val van avondgloed.
Overal voelde de Ouë zich vastgehaakt, tusschen brandend, getwijg en takkronkels. Maar overal wou ie bijzijn in 't late uur, om te weten of er wel gewerkt wier. Aan de Beek was ie al voor 'n uur geweest en daar had ie 'n vent weggestuurd,, die 'n kwartier na het schoft nog had staan smoken. — Nijdiger nog werkte ie zich tusschen de struiken en vruchttakken door״ en telkens sterker gloeide aan z'n zilveren kop en rompblauw in den rooden gloed van zonnedaal, die daar wonderen bleef