243
En vooraé.n, op de laantjes, als vreugde-oogen, de kolorietraamp-jes van hoeven, dichtgewolkt met 't blanke, innig-knussige, ׳spul van wit gordijntjes-neteldoek, en 't fijn-kleurig spul van blommetjes er onder op postrand. Hier en daar éven bezond soms, in gouden gloei vlamden de kleine raamruitjes in de heete praal van geraniums, hellerood, en late irissen. Vóór verweerde groen-bemoste pompjes, sliertten boerschige perkjes, in toch plechtige warme kleurdiepte. En langs de lage muurtjes, in zonnekartel en flitsbeef aangegloeid, muurtjes van verweerd oranjebrons en pracht-roestig bruin, — of fèl-wit gekalkt in zengblaker, — dartelde één heet vlammenspel van indische kers, omboogd in fijn gestrengel en getak. De oranjevlammende, de rooie, diep en vuurheet, zengend den muur, daar opgegroeid in kleurpoortjes, omhuivend de lage geveltjes in cierbuig van kruisraam, tot boven 't ruitje, waar de takken elkaar verstrengelden rond 't dak ; vlammige guirlandes, heet-zonnend en daver-gloeiend tegen de roodsteenen en hei-witte kalk-!muurtjes in hellen bloemenbrand, van zomerfleur omkranst. —
Zoo, de hoevetjes in hun jubelend dakrood, stonden er gegroeid tusschen laaggroen, bloem en licht. En de zomer, de heet-heerlijke, brandend-joelende zomer, geurde en klotste, golfde en sproeide er om heen, tegen aan, in kleuren en vlammenzon, in lucht en lommer, in gloed en ruisch van heet leven. En al warmer, in 't groen-gouden laandiep, gloeiden óp de zijlaantjes en dwarse weggetjes, rullig bespoord en begroefd, in de zomer-rookige zonnehette, die knetterde en vlamketste als toovervuur in 'n reuzenhaard, de hel bebloemde huisjes begloeiend.
In Zondagsche vroom-gouden stilte, blakerden de geveltjes en daakjes, en sommige raampjes azurig belommerd, keken half schaduwstil in schemergroen uit, op de zonnige paadjes. Er achter, de tuinderijen en boomgaarden, wijd omhegd in groen raster van hagedoorn, brok aan brok in één gouden nevel van stroo-mend licht, — brok aan brok daartusschen in koele schaduw van verduisterend boomgroen, sprookjesscheemrig van lichtval dat hing als 'n wolkschijnsel, in teeren droom van uitgedoofde glansen. En verder op, naar 't vlakke duin, aan laan-eind, stonden