242
ander uitklagen kon. Dirk schudde maar met z'n kop, halfluisterend en slaperig dommelend op 't blakerende plekje. Ouë Gerrit wou d'r telkens van doorstappen. —
Brommerig en loom kuierden ze eindelijk verder. Heerlijk, in zoete geuren wasemde 't walstroo rond, en zonnig-heet gloeide 't rood-zandige belommerde pad, in bosch-vochtig zomerdrenk-sel, vol zoeten dennenreuk, warm en prikkelend van woudgrond-geur. Stil, de oprijlaantjes van beblakerde hoeven, droomden in godstilte van Zondagsland. — Achter grijs-glanzige wilgen, popels en sneeuwzilverend ritsel van wond're wit-fluweelen abeelen, achter struiken en grasbloemen, flonkerden de besse-boompjes, grillig bezond, in spiralende prachtglanzing, hei-rood ; overal koralen trosjes, jubelrood, glansbevend van goud-helle zonning. —
Tusschen malsch groen van gewas, klauterden de boompjes hurkig öp. Struik-laag in drommende trossen, hingen de vurige besjes tot op d'aarde, weelde-trossend in zonnerood en scha-duwrood. Overal, aan weerskanten van de laan, al verder, al dieper, in wasemig lommerend zomergoud, blakerden de tuinderijen met dien wondergrilligen tooi van vruchtjes, met d'r helle glansrood, achter den wilden hoogen bloei van lila en witte koekoek, goud bestoven geel van rolklaver, en de zoete cier van duizendschoon ; achter wemel van paarse, zoet-paarse en blankhelle, blauwe gebloemten van al wild gewas, in 't heet-zonnige gras. En stiller al, op den doodstillen Zondag, heilig goud-droomden de goudene lommerende oprijpaadjes ; blakerden de tuindershoeven, als van den weg af, naar achter geschoven, brandend tusschen de felle zegeningen, van zijig groen, tusschen fluweel malsch-groen, 't stugge, geripste, 't gladde, ijle, zacht-trillende, even wuivende groen, 't licht gepolijste, vonkende, 't goudlicht-afbrandende groen, 't groen van al soorten boomen en bladeren.
Daarin gezakt, in zwijm van zomerende glansen, laaiden óp de lakrooie dakjes, tegen hel hemelblauw, brandende lakgloed in 'n trillende lichtzee van azuur, van ver wazig bedampt in hette van goud en bevend hemelpaars, achter boomen en rijzen.