232
Ver rijk van godswijde stilte in mistig avondgerucht, éven doorweend van koe-loei, heel vèr, uit donkere wei aanklankend, omruischt weer van rietzang en halmenfluister. —
En stil, ontzettend in stilte, aan de kim, ging opstand van stomme silhouetten, schaduwen van werkers, donkere nabeelden van zwoeg, duister versluip van menschen, stemmeloos verdwijnend in 't avondpaars van den onmeetlijken poldernacht.