224
door donkeren klapwiek van kraaien waaierde blanke vlucht van leeuwrik, z'n zilver gerucht verjubelend door zonne-ruimte.
Overal zomervuur drupte brandende bloem-boeketten van zengend goud op 't heete gras.
Heel de polder lag droomrig stil in den zonneblaker te roosteren. Alleen van den blinkenden bekeiden hoofdweg warrelde stof öp bij windrukken, in zwier en hoos, van damp en licht. Tus-schen 't gras brandde 't bloemgezwerm, geel en blank, rood en brons, en hel-vlammige klaprozen bij dijken, slankten uit boven 't groen, in fel kalkoenerood. Zomerhitte snikkend lag te zwijmelen tusschen karwijschooven en hooi. Broei-wind goot wilde striemsels van kleurbeving over 't land, telkens anders verglijend van glans. En de oneindige polderkom, lag als 'n luidlooze wereld van stil gebeuren, brandend en murmelend, zangerig wind-doedelend en doorplechtigd van ruischende stilte-muziek der weien, — matelooze graszee en luchtewelf. —
Op dijken, achter stolpjes, sjokkerden soms kindertjes a&n, roodharige en blonde jochies, speelsch zwierend vóór boerderijtjes, omblakerd van zonnegloei. En soms doken öp, uit erfjes, zoo van vèr, meisjes roodrokkig, heel van vèr, als dribbelende kersenmandjes in zon, vol bloeiend rood en fleurigen schater van kleur. Inéén doken ze weg achter kippenloop of stolp, en stil-leeg dan weer stonden de dijken heet te trillen, groen, tegen 't hemellicht; verdwenen al meer schelven op de wagens, vervlakkend 't land uit z'n bergjes-onrust. En rondomme, uit luchtvuur en gras, vlindergestoei zwermde aan, witjes met blanke zeiltjes doorzond, in argeloozen klapwiek van vleugeltjes, boven klaver en walstroo, distels en riet. Ze fladderzwierden zeilend door den blaker-gouden, wit-gouden dag. Goudvosjes en dagpauwoogen in glans brandend, verterend in eigen gloed, zwermden mee, méé in zomerzwijm, dronken en half-verstikt al in zoete walm van bloemengeur waarin ze vlerkten.
Dirk zat nog gehurkt uit te rusten op z'n kar, in slaap-suffen dommel.