Menschenwee, Derde boek, Zomer

Titel
Menschenwee, Derde boek, Zomer

Jaar
1903

Druk
1903

Overig
1ed 1903

Pagina's
456



219

sterker te hijgen voor z'n hooibergjes, zich voelend als 'n geslagen kind, öp en verlamd door windweer, woest op 'n ding dat ie niet grijpen, niet ranselen kon in z'n drift. Iedere inboor van z'n vork viel 'm tien maal zwaarder dan bij 't begin. Bij eiken opzwaai zwol z'n lichaam tot barstende kracht. Rond z'n beenen schuifelde een warrel van leven en de zon zengde z'n lijf, alsof 't op 'n brandstapel vlamomlekt schroeide.

Witte hitte trilde over den polder, paarsig-ijl tegen forthoogten, alsof de heele aardkom verteerde in één schroei van stilwerkend wegvretend vuur. Onder den dijk gloeiden vèraf, de hel-roode, jubel-roode stolpjes, vlammen in luchtkobalt uitgebarsten dóór 't porcelein-gloeiend azuur. — Hooiwagens, blondden in goudbrand en schelven dampten witte hitte uit. Telkens, als heete blaas-adem, vlaagde de wind öp, zwoel tegen werkers-zweetkoppen; kittelkilde even in d'r ontbloote kleffe-rige halzen. Hun kleeren schroeiden ze op 't lijf. Hun handen en polsen gloeiden, oogen en hersens doften. In den ban van hun martelzwoeg, tusschen wind en snikhitte, ging één stille onuitgesproken begeerte naar koel nat, 'n snak naar ademhaal, 'n verlangen naar rust in schaduw-gras, om éven maar lenden te rekken, lijf te woelen in luien genotstroom van leven. Zacht beslopen voelden ze zich in loomen zwijmel. En sterker blakerde zon, plakte en zoog hun goed vast aan de brandrige leden. — Kees, ongewoon te hooien, voelde al warmere koortsrilling in z'n polsen, en jeuk in 't bloed. Z'n gemartelde keel snakte naar kou. —• Dorst droogde heet en jeukerig z'n gehemelte uit. — Z'n mond stond dor, in droge branderigheid. Dorst vampyrde op de warme stik-benauwde werkers-strotten, als 'n dier dat tergde, hun keel in brand kon zetten ; ze martelden tot ze vloekten en raasden van gift en onmacht tegen de zon, die blakerfel, z'n al witter vuur neergloeide op hun koppen ; de zon, de groote, geweldige schroeier, die hun oogen doorpriemde en hun half-naakte, zweet dampende zwoeglijven zengde, vermartelde zonder genade. —

Zoo, onder worstel tegen wind, die de mannen grommen deed

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.