203
Een zwijmelende jubel van kleuren en glansen zengde rond de wei en 't hooiland. Het kanaal, waar de zon laag-scherend, op neerschoot stralenbrand, met z'n gele wipbrug stond in rood-gouden flakker van licht. —
In ontzettend moment van luidloos verschijnen was Zonnebol in z'n daverende helheid, z'n trillend rooden zèng, achter de aarde opgezweefd, en snel z'n goud-vurigen troon genaderd.
In matelooze kracht, stortte hij nu uit, zeegolvend breed, eindeloos licht dat deinde, en roodvlammig golfde en goud-wiegelde éérst, maar plots schroeide en zengde, en rondslingerde zonneflambouwen, tusschen 't gras, tusschen de hooischelven, tusschen beesten, dammen en rijzen.
Dollendans van licht zonnesprankelde, spartelde en priemde, lanste en pijlde uit den hemel, die zelf, als immense koepel van zonnevuur polderland ömstolpte.
Alles beefde in den ochtend óp met 'n schok van fel genot. Ruisch van goudvleugelenden wind woei aan, tusschen een bazuinstroom van zomervuur. Kwinkeleer jubelde óp, los-schaterend, onder de gouden hemelpoorten als orgelkelen, hoog in 't kleuren -ruim uitzingend. —
Een zomerende bloesemgeur wasemde uit de rood-begloeide, wonder-glinsterende weien, en zonnevreugd omdaverde de bebouwde aarde.
De Lemperpolderlucht wolkbrandde in nagloei van 't eerste zonnevuur. Afgebrokkelde vlammepoorten ver-rookten er kleur-walm. 'n Weg daar, onder poortendom, lag open naar hemel-burchten, waar teer-rose verschieten schemerden. Karpeikleu-rige lichtschubben ringden boven de poorten, en vèr, heel vèr, onder hoogste, vurig bezonde wolkenruïne, hingen lampions van zonnegloeiing tusschen gouden regenbogen in 't blauwend firmament.
Zonnegod luidde z'n goudene licht-klokken uit, in 't brandende hemelruim. De Juliochtend bleef jubelen van lichtglorie, tot plots zonnebol onder violetten wolkmuur wegdook. Er tegen