202
naar 'tgroote licht, naar den Zonnewagen die rijzen kwam, aan-schuimen z'n brandende en ziedende wielen in een golfgloed van rooden wonderglans. —
Ontzettend verstild, ging de vlucht van geruchten over 't landgroen; éen suis, éen fluister van aanbiddend, wachtend leven. —
Mysterisch geruisch van verstommende klanken, harpte wèg, over 't land. 't Riet zong zachtsten fluister, de korenhalmen ruischten zang-zachter, de weibloemen, blauw en goud, glansden vreemd, in extatischen gloed. —
Hemelwelf van Lemperpolder gloeide na, in rose brand, en wolkrijken daar, herautten na, ontzag voor stijgend hemelvuur. Over heel 't polderland scheerde 't licht. Roode dauw damp-glansde, en vonkgroen verdruppelde schittervuur in 't natte goudgroene vochtgras.
Heel de polder, eindloos, zwom in gloedglansen van purperen brand en groen-goud zomer-vuur. Het kanaal wiegde zonne-rood, zonnegoud, zonne-paars als 'n schitter-paarlmoeren kleur-plas. —
Peinzend-stille bruine paardjes wachtten, laag den kop ; git-huidige en rood-bonte koeien stonden omfonkeld, omplast in 't licht, dat steeg, stéég, in laaien gloei. En trillender, de levende vuurbliksem, omgesmeed tot slang, in den feilen hemelbrand onder violetten wolkmuur, gloeide ■k&n. Vuurslang verbeef de rood gevlam op wolkenkring rondom, en z'n spitse kop siste 't morgenlicht a4n, tot heller goud-rood vuur, tot gloeitroon.
De hemel laaide öp, spoot uit vulkanig brandgoud. — Overal, achter violet-vurig gewolk uit, rookten brandstapels, lekte vlammenrood. —
Plots vuurde öp, hèl-gloeiendst, 'r. trillend punt, brok kraterkogel, en lös achter de lichtende aaide, zweefde öp een bol van énkel laaiend schitter-hevig vuur, ontzèttend van fonkel-rooden oer-gloed.
In éen schok van licht, laaide héél 't polderland öp, in roode blinking, goud-groene helheid van hevig licht, als stond de aarde in brand, volgestort met zonnetoortsen.