204
over, in geweldigen kring, was plots ingestort ontzaglijk bouwsel van kleurwolken.
Als 'n stukgewaaide gothische kathedralen-stad in hemelruim, bleven zwerven en zweven daar, brokken gloeiend brons, karmijn, en purperen gloed-scherven, roode torenspitsen en klokkengouden cijferplaten, blinkend tegen 't sterker jubel-Wauwend azuur.
Wolken als kruisramen en bevlamde vensterbogen kathedraalden er, doorrinkeld van geel, doorstroomd van bloedrood, kanteelen en schipstukken, in vlammenpracht, doorstookt van laatste schijnsels.
Stille werking van zonnebrand vergloeide overal. —
't Kanaal bleef wondre allegorieën-stoeten uitdampen, in paarlemoeren schitter.
Plots achter den hoog violetten wolkmuür, langzaam verzilverend bij 'n gloeiboek, vuurde de zon weer uit, niet meer als 'n rood-barende bol, trillend van zengenden stralenflikker, in hel vulkanenvuur wonderstil uitzwevend achter donkre aarde, maar nü, als felle goudkokende krans, violet bevlekt en roodgroen ompijld, ruischend verterend in wit-goud vuur. —
Eerste toovertoortsing van ros-rood, was weggeschroeid. De weiden groeiden aan, eindloos in 't licht, en boven 't polderland, sloeg een warrelwind woeling in 't zonnige, hei-schitterende gras en koren, blinking in de wolklucht, en vluchtstoei in de schaduwen. Goudlicht stoof öp, glijdend, schuifelend in wisselglansen over 't land en de gods-zonnige heet-doorschitterde slootkanten. —
De wind, zwoel en wild zwabberde over 't ruischende riet, en de korenhalmen in zacht-zwellende aar, zwiepten in sterken druisch. —
Overal in blinkende pracht, heet, zonde 't morgenland, gloeiden de stolpdaakjes en blakerde hoeven-wit-gegevel. En eindeloos 't heet-gezoende gras-groen gloeide, tusschen de blonde hooischelven. Blauwer 't hemeldom koepelde uit, verbleekend de kleur-wolken in 't stralend, brandend blauw. De wind doezel-zakte en joedelde op spothoorns wildjolig, door 't heete land,