201
Onder 't muur-hooge wolkenpaars waar Zon moest verrijzen, gloeide vuur-feller öp 't rood, al hooger in gloed, den verren wolkenomstand bevend bevlammend. En alles kleur-herautte aan 't felle groote Licht dat komen ging.
Er zat bange ontdaanheid en grootsch ontzag in de kleur-wolken, die opdreven ten jubel, nu niets nog verrees !
Maar achter den horizon, waar 't zonnevuur gloeide, in een brandenden vlammen-ring van licht, gebeurde al de onzichtbare ׳stijg van de Zon, laaide vuurweg open, in walmkleurigen brand, aangloeiend al sterker de wolkenrijken, rondom geschaard in den gloed-bloedenden hemelkoepel. —
Wat stomme landwerkers stapten over polderbrugje van kanaal, naar de dorschen. Onder hun beenen brandde de aarde rood, roodblond, goudgroen, en hun gezichten gloeiden in aureolenglans, omvlamd van hemelvuur, dat uitstralen kwam.
Stom liepen ze achter elkaar, de stille zwoegers, even starend in den vlammenden horizon, waar 't licht herautte. —
Eindelijk, 'n kartelende vuurslang, als 'n kronkelflits van bliksem, omgesmeed in éen schok, éen tril, tot vuur, boorde uit den luchtbezworen brand öp, ontzettend van kracht en hevi-gen glans, met bevenden rocd-gouden-kop fonkelend.
Plots gloeide héél de luchtbrand aan, vlammend rood, en de muur van paarse wolken boven den morgengloed, schroeide tot violet-vuur, dampte uit, een azuren waaier van goud, in felle breede stralen, doorspat van trillend roode zonne-fonkels.
Laaie gloed danste en sidderde in nadering van Zonnegloor. Brandgeur rookte rond in de hemelen. —
Al de wolkgrotten, de wolkruïnen, de wolkpoorten en burchten, vlamden in den morgenbrand. — En fél, in den vuurschijn dromden wolkwezens öp, kleur-herautend in ontzag, langs de aarde, de hemel-randen. —
Op den trillenden vuurkronkel, omgesmeede bliksemschicht, die aangloeide in al heviger fonkel, hèl-rood, dromden de wolkwezens, en nevelgeesten uit violet wolkenrijk neergedaald, al sterker herautend, met aangezicht in gloed geschroeid, gekeerd