200
gloedloos, in zachte verglijing van purper-weeke tinten. Daar in 't eindeloos luchtstille, was heimvol naspel van zonnegloren, lag groen van bouwgrond er onder, in een koester van licht, brandden langzaam de wolken aan, ruischte een sombere huiver van tinten, ver buiten zonne-komst.
Dammetjes stonden aarzelend te kleurgroeien in 't stille bouwbrok ; rijzen piekten zilverig-brons de lucht in, en klaaglijk geloei van verre koeien woei aan, over weiland en hooi, ver, waar 't vergalmde in 't murmelende ochtendgerucht van 't land.
Verder den polder in, langs de purperende slootkanten, die in 't nevelzwierige morgenrood en hemelgloei te dampen dauwden, wasemde 't kanaal als 'n breede bron, lichtend in een kleurigen wiegel en kabbel van schijnsels en dauwglansen.
Als in sprokenland dampten öp, gestalten en kleur-nevelen, in stoeten vlietend, al vlietend en zwevend langs de gouden oevers, verkwijnend en opgeslurpt, sprookjes-grillig in hemelgloei, verschuiflend over 't rood-begloeide gras.
Door de hemelen oneindig, ging bang-ontzette, stille werking van kleur.
Onder den muur van paars gewolk aan horizon, gistte en bloedde 't rood als bezworen brand, goud-rood bloed van den gestorven nacht, geofferd aan den naderenden zonnegloor. Geheime vlucht van geruchten ging blank en blond door de ochtendluchten, 'n Angstige stijging en aangloei van kleur en licht, brandde, smeulde, sintelde in 't hemelwelf. Als begloeide koepel erautte lucht en-welf zonnekomst, in dreunenden kleu-renzang
Het land, met z'n aangegloeid groen, de geluidlooze dag-groei, de blondroode, de blond-gouden zomermorgen, uit paarsen nacht van hemeldom en sterre-zilverend-duister öpgerankt; de gloeiende ontwaak- en licht-jubel van huisjes en verre boomen ; de zang van koeien, in de stilte-eeuwigheid ; het stijgen van de vogelenkeeltjes, als harpjes en vedels, in zanggekwin-kel, — alles werkte en jubelde door de hemelen, 't godstille morgenland, herautend de zonnekomst.