199
Goudgroen golfde het licht, ochtendazuur van blauw-penseé glansen en weerschijnen in, gloeide de wolkkring boven horizonbrand aan, als paars vuur, al hooger prachtpaars, eindloos uitgekranst in 't hemeldiep. De hooischelven, in koperen goudgloed, stonden aan één zij te branden in goud-vochtigen nevel en rood-sferigen lichttoover in altaren-wonder, door ochtend-goden er om heengeademd. —
Golfgloed van rood-goud beefde van schelf tot schelf. Over heel de weizee vlamden zij aan de bergjes in liniën, toover-roode gloed; meer schijnsel dan licht, meer waas dan glans, vreemd gegloei van nimbus-brand, die trilde en toch schroeide, vlamde, straalde, en zelf zich weer wègweefde in sfeer van wonder-zacht schitterend goud, dat tusschen de schelven wiegde en weefde, en de wei-aarde ros-groen begloeide.
Laag, scherend langs 't land, zengde blonde gloed van 't ochtendlicht. — Hier en daar fonkelzwartten de koeien öp in hun glanzig huidgit, dat glansde als natgeplast satijn. —
Wierelandsch stadje uit paars grauw opgedampt, begon te leven, in weerglans van ochtendrood. De pannen-daakjes, bijeengebrokkeld, vingen glanzen, donker en lichtrood, grijs en leiblauw. De groote toren stond beaureoold in madonnig vuur, dat goud-zacht gloeide, en van vèr, er achter, uit 't sluimerende stedeke, jubelden zacht méé ochtendgebeden van lichten en kleuren. Aan polderweirand, waar zon verrijzen ging, kwamen dampig en rood, uitstralende zonnesluiers, en in zwier van gazen wiekslag hing zweeflicht over eindloos groen. —
Heel 't polderland verwasemde meer en meer z'n vroom-rooden ochtendbrand, of diep in de hemelen, achter aarde-duister, een God voorbijging, en zijn fonkelende stoet van lichtende hemellingen, 'n gloed en praal van jubel-glansen, vóór z'n zonne-gang liet uitstralen, den morgen in. —
Soms leek de roode aarde van binnen uit te gloeien, fel brandend, door gronddonker heen, licht vervlammend uit zengend binnenste. —
Van Lemper-polderkant wolkte paars de lucht, rose,