198
bloedrood in prachtschijn, hoog-öpgericht in 't luchtgewelf.
Uit 't paars rondom, schuifelden gestalten, wazige morgengeesten, die stom den stervenden nacht instaarden. Langs 't bleek oranje schuifelden ze voort, 't nevelrijk van morgenrood in, verheiligd, met wonder licht beglansd. — En stil, in hun god'lijken staar naderden de morgengeesten 't oranje vuur, öm 't wolken-belichtende hemelkruis geaureoleerd.
In zachten ochtendgloed ging rond geheime groei van wolken en licht. Midden in 't paars-massaal wolkendom was plots het kruis geslonken, doorbroken tot toortsenkrans van rood licht.
Haan-kraai verklonk nu in sterker ontwaak-triumf over 't morgenland, en hoöger mèt zonnegloor, viel blank fluitgeruisch in, wiegelend spel, jubel-teer en murmelend van windharpen die te neurie-peinzen hingen in 't glorend-purperen luchteruim. Vogelkens mijmer-zangden, ontroerend-broos, en uit de aarde-wei wonderen öp, paleizen van zoet luitenden jubel, klankenhallen en poorten van zomervreugd, in den kleurigen gloei van morgen-gloor, rood-wazig en groenend-goud, omspuid met den zilverenden damp van 't eerste nevellicht rondom. En wind-huiver omdauwde 't polderland met bloemenzoet, gras-zoet, hooigeur en klaverrook. —
Al sterker ruischte aan 't licht, zette in wondren gloed en fijnen glinster de groen-gouden wei, wekte de stille peinzende kleuren van 't hooi, de haver, de rogge. —
In zang van toortsige gloedsfeer begon 't heilige gebed van de tinten naar 't licht.
Heel de ochtendpolder, toch vol wondre stilte-geruchten, vage klanktrilling en vroom gesuizel van 't landstille eindlooze; al de hooi-schelven, de bloeiende klavervelden, de weibloe-men, jubelden zacht-ingesmoord naar de Zon, die verrijzen ging. De luchtrand, rood-dof vergloeid, onder 't massale wolkenland van paars, kartelde en wentelde nog wat vurige zonnewieltjes, dat 't sprankelde van vonksels rondom in het ruim. Van verren horizon, aan polderdorpjes, glansden roode daakjes, in grijs-violetten morgennevel, en torentjes spitsig en bits, ont-grauwden. —