VIJFDE HOOFDSTUK.
Vale lichtgloor van ochtendmaan weifelde boven het polderland. — Zomernacht, in vochtige stille glansen, was aan 't versterven, in eindloos stille ruimte. Geruchten van eeuwigheid, suizelden in schelp-ruischend doorduisterd luchtgewelf en aard-schemer. — Rust van weide-sluimer waarde rond, in zachten ademhaal van landontwaken, rond lucht- en aarde-stilte.
Luidlooze groei van wazig, zilverpaars ochtendgloren, alom. Stilte, heilige stilte, huiverde over 't polderland, eindloos bedehuis van zwijg, godstilte in kring van bidders. —
't Licht verweefde en groeide in wazige gestalten, uit nevelig; nachteduister. Zacht, doodelijk zacht en broos aangloren kwam 't licht, stiller, sluipender over 't morgenstille, glorend, zilvergrauwe land. — En achter de paars-grijze hemelwolken, die aanlichtten in sterker gloor, staarde de nacht, al bleeker, blééker.
In grijs-paarsen toover en tinten van sluimer, glorend en vaal droomde 't stedeke Wiereland öp uit een mist van paarsen, ijl-zwevenden ochtend-damp, die öm de vage daakjes, vèr-af van 't land, langzaam weefde, al wééfde, ragweb van bleek morgenpurper. —
Geruischloos wiekte de geheimbrooze landstilte öp uit den roerloozen ochtend. Zachte tocht van blanke lichtvleuglen, ruischte over de nevelige stedeke-daakjes, en violet-teer öp-kronkelende landwegjes. Al zachter vloeide aAn 't hemellicht, in wondre weving, geheime groei van glansen, — al paarser gloorde 't boven de wondre stille weien. — Tot zacht geruisch van ontwakend leven kwam beven boven