94
van de mannen, als ze waggelzwaar van hun stoel dansten en loom kankaneerden met armen en beenen gelijk. Dan ging er dronken waggel van rompen en koppen tegen 't gelige gordijndoek ; chinees-schimmig en burlesk-angstig vergroot als ze stapten naar achter, in 't tonige halve kamerduister; schérper aan-rumoerend, en silhouet-zuiver, de dronken profiel-tronies omlijnd, als ze zich bewogen naar voren. — Smokerig in nevel rookte de kamer rood van gouenaars en sigaren. Scherp in vlagen, prikkelde jeneverstank er doorheen en lolliger in de zomeravondhitte zopen de kerels hun kelkjes leeg, in kleverige klauwen, snurkerig schrei-lachend en dronken doorgrinnikend. Dirk zat met asch bemorst van z'n borst tot z'n knieën, en telkens plaste 'r jenever op z'n kleeren, als ie waggelend opstond en met z'n glaasje in de hand lachtronies der meiden bestrijken wou. —
Met schrik en angst loerden de dochters naar hun handen, die rondzwermden in al woesteren tast. Tot eindelijk, laat in den avond, heel laat, vrouw Grint 't besef kreeg de kerels te bonjouren. Dat had ze nog nooit beleefd, zoo'n latertje, al was 't Zaterdagavond. En al loerde ook zij op de rijke neven Hassel, nou, met die arme donders Piet en Dirk erbij vond ze 'r niet veel aardigheid in. Met boffen en beuken drong ze de kerels naar de deur, woedend op vader Klaas, dat ie zich zoo te buiten ging. —
Want Grint joeg de kerels öp, tegen elkaar in, om z'n meiden te zoenen, te pakken, te frommelen. Schor-ironisch, met scheefgetrokken mond, bezwijmelde oogen, die waterig glansden van beschonkenheid, riep ie hikkend, en öpwaggelend van z'n stoel:
— Alletait.. in.. 't fesoenelikke.. Soene.... i i i i.. i i i.. 'n 't f esoenèlikke.... enne.. pakke.... innnn.... 't fesoenelikke .... enne !____
Ze zoenden, dat 't klapperde, en de meiden verhit en vol verzet toch, bedroesemd, opgehitst, en nijdig-beschaamd tegelijk, trapten en sloegen. Annie en Cor vooral, duwden met vuist-stompen en kleine mokerslagjes de rook- en drinkmonden grie-