i8i
naar den man die daar zóó gejuicht en geweend had, onder de slavende massa. —
Joodje, zeker van z'n kunnen, zelf wèg in zoeten huiver van z'n klankinstrument, speelde weer opnieuw, gaf zich heelemaal over, aureooleerde zich in een sfeer van zilveren tonenzang. — Eindelijk, klaar met z'n spel, stroomden de kwartjes op 'm af. In fijn-gele vloeitjes wikkelde ie de glanzige zwarte fluitjes met goud-vergulde ornamentjes, drukte ie de kerels de gewichtige methode in de hand.
— Mit dat boekkie, in drie daagh en nachte, kan èllek manspersoon en vroüspersoon de heele kunsh! 'n Kind kèn de meiedie! wattie wil! as ie 't marr kèn ! begrijbt u !
Z'n luisterkring van boeren stond als vastgezogen aan den grond, in verbijstering voor dat spelen. Zoenen wouen ze den kerel. Joodje had geen handen genoeg. Jongens met lach-vanontroering op d'r gezicht kochten ; mannen, die in hun schemeravondstraatjes onder de lommerstille zomer-boomen harmonika speelden, kochten ; dronken kerels, betooverd en half ontnuchterd kochten; meiden, wijven en ״notabelen" kochten.
Strak-zelfbewust bleef gezicht van Joodje, die soms midden in 't drukst van z'n verkoop, plots naar zich toegestrekte armen terug-wees, met stil gebaar z'n fluit, koester-zacht vatte, en speelde. En alles roerloos, in tooverban als klonk er geen hondgeblaf, kargehots en sjouwgekrijsch meer, bleef rond 'm staan.
Tot heel naar den polderweg verklonk de klaagroep, van z'n fluit, zoet gefluister, smachtende adagio's, plots vervloeiend in stoute schalmei van jubelende scherzo's. Begoochelder stonden rond 'm, in broozen luister, de afgemartelde zwoegwerkers, met verrukking in de oogen, bevende monden en verlegen handen. Plots weer brak joodje af, deelde ie z'n fluiten uit, tot ie alleen z'n eigen instrument overhield. Eén groenboer, wou dat ding hebben, met 'n gulden toe, zei ie sluw lachend naar de omstanders. Maar Joodje lachte ook, gaf 'm z'n fluit, ruilde met den boer, die 't geld klaar had in z'n hand, en speelde nóg mooier óp 't kwartjes-instrument.