i8o
ie zich uit, — dan één, dan twéé fluiten den mond induwend, zich zelf begeleidend. Starre bewondering strakte van de tuinderskoppen. Ze voelden, voélden dat 't écht was. Prachtig ebbenhoutig-zwart, glansden de gepolitoerde oktavo-fluitjes in joodjes hand, en wonderzoete, zilver-trillende tonen blies ie de heet-zonnige havenlucht in. Met gratie, in duizelend snelle vingerradheid, duikelden, trilden, zweefden de toontjes uit z'n fluit, en z'n vingertoppen leken tien betooverde zieltjes, vol klank en zaligen galm. Snel dansten de topjes op de zwart-geglansde fluit, en machtiger zwol z'n toon, fel in zingende kracht, de havengeruchten overklankend. Dan plots hield joodje in, droef de ie weemoed uit, in weeken, donkeren fluister van wiegelende klankjes, slepend-zoet en irinig-ontroerend, droomrige melankolie van teere toontjes, in klagelijk register. — Zoo jubileerde z'n wonderfluit tusschen 't sjacher-rumoer, dat zacht verstomde onder z'n tooverzang. Heelemaal méé, in de pathetische zoetheid van z'n lied, schokte jood's lijfje. — Zacht zwierde z'n hoofd, lichtelijk heen en weer. Op de kadans van z'n lied, rekte zich z'n postuur als groeide ie boven den luisterkring uit, kromp ie plots weer in, bij teerdren melodie-zwenk. En vlak om z'n hoofd geurde en zweefde ie uit, 'n krans van zangerige kabbelende klankjes, met iets er in van starende smart; murmureerde z'n vlei-klankende fluit, diep en vroom 'n litanie van innigheid ; bleef dóórdroeven z'n zang, in smartlijk mineur, speelde ie uit, 'n lied van tranen en hartewee. Dan plots, in 'n schater, zwol z'n toon in 't hooge register, joelde de klare zilveren klank van z'n demonische fluit als 'n woeste jubel door de polderlucht en haven, schaterend en klaterend. Roerloos stond 't landvolk in tooverban te luisteren. Eén laatsten stroom van klanken jubel tremoleerde hij nog woest en oriëntaal óver de koppen heen, wijd uitvloeiend de zonnelucht in; klankenpracht, als 'n vurige hymne rondbruisend door den havengang. Plots zweeg 't joodje. —
Dronken en nuchtere kerels stonden gebluft, na de plotse fluitstilte, in argelooze luistering. — Zwoegers uit de donkere bedompte kroegen, waren opgestapt, in furie en bedwelming.