179
vlak, rechtop, dwars, scheef, en mandtorens waggelden geweldig op de zwoegschouers, en dampende zweetkoppen.
't Stormde op den wal, en woester krioelden en afmarcheerden de karren in hotsende ratel-herrie en bonkering, naar huis; geduwd door jochies en meisjes in schreeuwerigen konkel. — Het heete gedaver en gesmak van kisten waarin de leege aardbeimandjes nu beèfden van schokken, bulderde weer öp, cyclopisch, als donderende klankneerstorting van mokers op aambeelden en houweelen-ring-king op steenen muren. En öm 't smak-geraas heen, bleef roezemoezen bassig gegons van straatgeruchten.
Troepen venters, klaar met hun manden en vrachten, afge-reeën aan d'r kinders, drentelden rond met hun handen op geldzak, warmpjes de centen ingekneld tusschen vleesch-hitte en broek-voering, smakkend naar lekkeren Zaterdagavondzuip.
Afgebeuld of in drinklol opgewonden, strompelden de groenboeren herbergen in, waar 't borrelde en gistte van schurige stemmen, dronk'rige roezemoes; waar 't schuiflawaai knarste van stoelen op zandgrond, tusschen stikwalm, rook-rood. — Buiten woelde 't haventje in hellegedaver.
't Kraakte, klotste, hotste en smakte 'r in gloeiend zwoeg-gerucht, arbeids-hellebaardiers, die burchten sloopten. — In 't watertje glom, kleurveegde en brio'de druk beweeg van kramen, sloepen, tjalken en bokken ; op elkaar gedrongen, tusschen engen spoel van spoor-polderdijk en walkant in. Wemel van schipkleuren nog blond doorzond, gloeide öp in 't al zinkender licht. Op hoogen bakkenstapel, midden in thuiskomst van Zaterdagavondmarkt, herautte nü 'n kleine jood, met luchtig fluitspel. —
Kring van honderden stond om 'm heengekranst, in starenden luister naar z'n wonderlokkend, klank-zoet fluitgevlei. Weinig sprak 't joodje. Met 'n groot blad muziek op ijzer lessenaartje vóór zich, wees ie op de methode, zei wat van de fluit, 't klank mooie, 't zuiver-hooge en lage, en speelde, spéélde. —
Joodje leek verliefd op eigen fluit. In zwierpracht en zoeten huiver van vloeiende vlei-toontjes, zilverende koloratuur, zong