178
Plots kwam nuchter strenge kapitein, — die nooit iets anders dronk den heelen snik-heeten dag door, dan koffie, — zeggen dat 't tijd was om op stap te gaan. In jagender tempo nu dromden de prijzers öp, gingen vloekender schokken door koopers en venters. Na 'n half uur was alles leeg, stond de wal schoongeveegd van sjouwers en sjacheraars, kruiers, wijven, meiden, karren en kisten.
In woesten smak laadden de kerels hun bakken weer de boot öp, en dadelijk, na droeven sein-zang van pijp in den blakerhee-ten middag, draaide de kaptein havenwoel van groote stad uit, 't dampige, oversmookte, violet-grauw van hemel, en gloei-kleuren verspoelende IJwater, instevenend.
V.
Aan de Wierelandsche haven wachtten meisjes en jongens met karren, klaar om bakken en manden op te vangen van vader en broers. —
Vier booten, achter elkaar, stoomden in, en van vier booten tegelijk, meerden de loopers 't touw vast aan de palen. Een wild gedrang stootte öp, woest geschreeuw ratelde los ; ge-krijsch van tuinders, met verkeerde bakken, roep öm roep. Rauwe moeheid klonk door de stemmen, en zwaar de zweet-koppen, roodgrauw, paars en bietig, vloekten en gromden weer te moeten sjouwen in den nog smoorhitten zonnedaver. — Eén helsch karnaval van dooreenkrioelende zwoegers en waggelende beschonkenen, brak plots weer los aan de doorgloeide haven, gestoofd en geschroeid in den vonkenden zengdag.
Paarden loomden weer stil, achter drom van kleurige karren, en van allen kant, op de haven, golf-vloeide gewirwar van kerels en wijven, meisjes, en jochies. Van de hooge booten reuzigden de werkers, met de bakken en vrachten op nek en kop, tegen eind-looze polderlucht violet vuur, dat dampte en smeulde. — Heele stapels hoekten in dwarsen lijn-opstand de lucht in, op de hooge boot; wilde kankan van opgeheven kisten, schuin en