77
half al geënterd en vastgenageld in kringetje van brutaal-bijéén gedromd klusje meiden, kreeg plots besef dat ze door bij elkaar hoorende koopers, betoeterd werden. Woest grabbelden de venters terug, rukten hun bakken weer in de karren, schreeuwden en vloekten als razenden tegen de beduusde wijven en handlangers, die op geen verzet meer gerekend hadden. Nu tierden en krijschten de aangeschoten boeren langer dan de nuchtere, bleven taaier hangen aan hoogsten prijs. — Plots, 'n paar zwaar-beschonkenen, uit de verkoop-groep, verlekkerd op loktaai van meiden, dwongen 'n geel-harige Zeedijkster, vijftig mandjes voor niets mee te nemen. Om 'r heen kletste afgunst van andere wijven, die 'r verdrongen en aanstootten uit nijd dat ze dat niet doen kon voor de politie. Maar de venters, dreigden de geel-harige op 'r bek te ranselen, aa's se nie toègreep !
Overal klonk dronken, herrieïg en halsstarrig gewawel, verbijsterend uitgesponnen gezeur, vast hakend gestrubbel en gestrij, tusschen de nuchtere koopers, en lachschreiende half-bezopen venters. —
Hitte braadde, priemde de koppen, de wangen, de nekken en drankstank walmde hun heete kelen uit. Te blazen van puf-benauwing, te schelden, vloeken en bonkeren met de morsige knuisten op de bakken, stonden ze, lawaaiend tusschen ratel en wegroffeling van karren, op dreun van gloei-dampende keien. Een aangeschoten groenboer was ingekneld tusschen 'n groepje joodsche vrouwtjes, met lepra-kopjes, gelig, vol huidbarsten, en groot-zwarte kijkers, allen met zondig besef van hun sabbath-ontheiliging op d'r vergroefde zorgelijke gezichtjes, die klein onder kleurige mutsjes uitpuntten. — Niet los te woelen wist de lange tuinder zich uit den taai energischen babbel en sjacher der kleine wijfjes, allemaal 't zelfde gekleed, donker omsjaald, sprekend op elkaar lijkend, met lintkleurige mutjes op d'r glad-gekamde toertjes. En waar hij schoof z'n bewegelijk, zacht-waggelend lijf, schoof koop-heet kringetje van joden-vrouwtjes nauwslui-tender mèè. Onder getier en geloei van stemmen, krijscherig en valsch, werkten ze 'm één voor één de waar uit z'n handen, goedkoop, héél goedkoop....
II. 12