55
grauwig paars en dampig gesmoord zonlicht, bewogen in nachtmerrie-realiteit. Uit pracht van diepe donkerdroomrige tonen, stemmige diepte van zachtflakkrenden kleurmist, zwaarbefloersd in grillig verstaltigenden groenen rook, doken telkens anders de boerenkoppen öp. Roodbruin de banken, angstiger verdoffend den getemperden kleurenstoei der mans- en vrouwkleeren; in rook-nevels de groentebakken en manden, dwars en stapelend uitgestald op den donkeren vloer, vóór sprookjes-reuzige voeten, öp schootbrokken, tusschen glazen, vuile kommen en rommelzooi van stronken en afval. Daar, door dat hangmatleven, zogen en walmden de helsch-gemengde stanken, tusschen ge-beuk, getril en geraas ; broeiden de koppen bijéén; lekte 't zonnevuur door de naven en 't dek naar kajuit, waar de snikkende hittedag verduisterd en gesmoord lag te reutelen tusschen engte van duffe wanden. — Énkele menschkoppen bewogen in glansgou'igen zoom. Wangbrokken gloeiden beschminkt van goudpoeierig schijnsel. Pet-vormpjes vergrilden in zacht-kleurig dof-duister. — Praat en slok, deinde öp uit diepe tinttonen. — Eetmonden vervaagden omrookt onder nevels, snorre-baardig, in harige ruwheid. En de golfjes in schroeienden zonnedoop, verspoelden kabbelig-speels, ruischend tegen de lichtoogen boven hun tronies. — In paarsigen waas, de groote werkhanden woelden en gebaarden in en uit lichtvegen, rumoerend méé met hun zuip, hun krijsch, lol en ironie. — Handen, breed en geweldig als levende wezens, op zichzelf, hevig gekromd, verbronsd in aardewroet, in rauwe energie van beweeg en passie, tusschen den rookmist en rood-groenen damp, in wilde gebaar-woeling wègslingerend scheemrige vegen en tint-grillige schaduwen. Handen van bronzen reuzen, graaiend in smoor van zonnevuur. —
— Da waa's d'r main 'n sjouw Dirk, schreeuwde Klaas Grint,, met beverige stem, doorschokt van dreun, — nou he'k tug puur naitig bakke oarbei op de boot — hee annaime! — main nog 'n bakkie leut!.... —
— Daa's f'rduufeld achste bak, lachte de bediende.
— Nou wa' sel 't ?.... betoal 'k hullie nie ? houw tot soo.