149
werk 'n groenboer langs 't gezicht schurend. In woesten ruk, had ze vrouw Jaapeke de lelies uit 'r hand gescheurd, de bloemen haastig in d'r schort beschermend. —• Vier andere vrouwen, met verkoop van veiling, zwaarlijvig bijeengeklonterd, sprongen bijzij op gele madam af, om te zien of ze nog meer blommen bergde. — Maar in één ruk had de breivrouw 'r leeggeplukt. Grienerige woedetrekken groefden om schrei-mond van gele medam, en sputterend spoog-lispte ze vloeken uit, naar de woest-sterke wijven, 'n Endje van vrouw Jaapeke af, waren nu wat groenboeren op de bre׳-vrouw losgesprongen, om die den blom-meboel te ontfutselen, bonkend en haar bekrijschend dat ze niet had laten uitveilen. Maar breivrouw weerde zich heftig, trapte naar achter, beukte opzij, in den knellenden warrel van graaiende en rukkende handen, stampen van beenen en lijven. Bodestem schalde plots bóven 't warme stoeigewoel uit, in lach van z'n frisschen kop.
— Nou nog wa' prêchtige pioene, wie-se-hep kraigt de stai-kels.... ikke hou de blomme —.. In wat tellen hadden de venters 'm afgekocht.— Broeierige woeling gistte los in den veiling-prop. — Snikhitte dampte om hun zweethoofden. Zon priemde fellere lichtlansen neer op de boot. Elk plekje braadde en kookte. — Spraakloos buiten 't gewoel, stond kapitein voor zich uit te staren, 't vonkwater in, en hoorbaarder nu, achter veilingstilte uit, klotste de golfjeskabbel tegen schipwanden óp in schuimende koeling en week ruischgestroom. —
Hunkering naar ochtendschaft ging rond. Om den Bode klonterde de menschenkluit los. Twee dikke groenboeren lcan-kaneerden in nauw gangetje van hangende manden en kisten, naar de kajuit. De dikste, achteruit dansend, met kwabbige schommeling van z'n vet lijf en spanning van dans-dijen, strompelde gladkoperen traprichel af. Springend met kromgebogen armen, 'n zwaai de lucht in, plof-bonsde de andere op z'n borst en buik. Achter hen aan, trampelde 'n heele bende naar beneden, de kajuit in, waar al wat kerels, mistig berookt in halflicht hoekje, saamgebroeid hurkten achter hun manden.
Als 'n laag-bezolderde ark, spitsig toeloopend en hellend bij