50
den boeg, dampigde de kajuit, volgesmookt van pijp-en sigaren-damp, snikheet. Groöter en ruwer dan in 't fel deklicht, onder halfschaduw nü, lijfloom neergesmakt op de rooiige ruw-be-kwaste banken, - leken de vrouwen- en manskoppen in de kajuitsdiepte. Achter enkele half-verduisterde hoofden, wangbrokken en kleurig haar, stroomde zonnelichtspuiing, door hooge ronde kijkgaten, beomtrekkend éven wat tronies in zoom van goud, fijn vloeiende lijn, die gloeide soms als electrische lichtdraad. Schuwere glansen schoten door morsig beruite kijkgaten, hoog ingeboord boven boeg, scheemrig vervloeiend in de halfdonkre kajuits-sombering. ■— Langs de wanden en midden in, plankten de ruw-rooiige banken, breed, waarop neergesmakt dromden in stomme hurrie van punten en brokkelige kanten, kisten, pakken en manden. — In de kajuit stonk 't duffer, vunzer nog dan op 't dek, waar door de groenteluchten heen, soms nog ziltig zoute lucht van zee-windstroom aanwoei. De hooge kijkgaten, 't heele schip langs, brandden in reflexvuur van kanaalwater en zonnegloed, tusschen 't opkruipende half-duister in de stik-heete kajuit, als gloei-gouên oogen. Tegen de grijs-grauwe morsige zoldering zonden wat lichtkrinkels, die trillerig door elkaar heenspiraalden. — Vlak onder de gloei-gouden licht-oogenrij van kijkgaten, doorzond en fel-verblindend, kropen schaduwtinten langs verdonkerde wa.nden, zonk de kajuit in, vaag-kleurig van paarsen rook, even doorneveld van zwakke glanzen. — In al öpgeknelder drom trampelden de vensters van 't dek, smakten zich neer op de banken, tusschen hun pakken en kisten. — In roodbruine somberheid plankten de banken, en heel de kajuit, met de oppropping van koopwaar, leek 'n groef, roodsteenig en duister, waarin schipbreukelingen saamgevlucht stumperden, bang omknellend hun laatste rijkdommen.
'n Lange kerel, met heel kleine oogjes, z'n hoofd de zoldering rakend, waaronder z'n gebaren reuzigden, holde heen en weer te bedienen, stapte telkens op 'n vrouw af, die op bankpunt koffie schonk uit 'n bruin beschilderden koffie-stoomketel. Tegen muur van kajuitstrap, donkerde inhammend buffetje, waarin opgedrongen bijéén hinkten, diendertjes, manke jeneverglaasjes;