136
donkere wollig-besjaaide wijfruggen op, met z'n weggezakten kop in de diepte.
Van allen kant gonsde snater en rauwe klankenwarrel van stemmen. Zon gloeide fel, barnend, stoofde de stanken, de broeilijven, en al pafferend zweetten de kerels, in lollige rumoering van veilhartstocht.
— Nou stoan 'k tog puur van drie uur.... f'rdomd aa's je hier sitte kenne, klaagde 'n tuindersvrouw, met morrend, moe-nijdig gezicht, 'n zwart breikous-stompje telkens van d'r borst, onder d'r kippige oogjes trekkend. Snel, in naaldflitsend beweeg breide ze mopperend voort, van 'r vingers-dansend draadgeweb, aldoor öpstarend naar Bode en groenten. — Geen gaatje plaats was er meer op de boot. Al de tuinders, lomp en hebzuchtig, hadden zich neergesmakt op manden of kisten of stónden op koelscherm. Dikke dijbrokken en achterwerk van ventsters, spanden ingekneld tusschen broeibeenen van kerels. Tegen de donkere pijp in 't luchtbrandende blauw, leunde 'n troep beweeglijke werkers, lachend en krijschend, grimassend achter stillen rug van kapitein. Ze lolden met de breiende vrouw, die kippig en doodmoe van ingekneld-staan en hitte, niet veel zag van de waar, knorrig gromde, dat ze nog den hee-len dag te sjokken, te venten had in de stad, in die pesthitte, en nóu d'r beenen al voelde als verlamd... En aa's se d'r nou moar 'n kop leut kon naime.... ze had d'r dorst en honger veur drie....
Nerveuzer breidde ze door, tegen 't hoofd van een kerel, vóór haar buik en beenen neergehurkt, d'r stuipig stompje kous boven z'n pof-pet komiekerig verkronkelend, onder de snel-vingerige webberijtjes van 'r naalden en draad. Telkens flitste zon bliksemend licht op de naalden, die even hel-elektrisch gloeiden en schichtige flikkerpijltjes puntig afslingerden, tusschen de sjofele kerels en hun morsige stankplunje. —
Bode had uit de kajuit 'n borrel gekregen, gelijk met ,,notaris," die in vadsige houding bleef luieren in zonnegloei, tegen de pijp aangeleund, den borrel in één achterwaartschen smak van 7׳n hoofd, z'n keel ingoot. —