34
— Arait!.... moar se sitte vast an twee mandjes postelain.. wie sait dur wé.' — Harder, staliger klonk z'n stem, uitdagend, verwaaiend in brieskoelte. —
Onder koelscherm uit, kwam roetige negerkop van stokersmaatje koekeloeren. Langzaam groeide zijn lijf hooger óp uit de, hittesfeer rondschroeiende machinekamer, waar 't heet stootte en bonkte in treinrhytmus.... De stikwarmte uit hamerend boot-hart vloeide rond de groenten en vruchten, stookte en gistte 'r zwijmel van stankdampen. Tusschen de tuinders drong stokersmaatje zich heen, naar 't dwars-vat met water, gretig loerend naar 't kraantje en wit-steenen kom. Z'n roetige handen graaiden haastig door opening tusschen wat venters, naar drank. Gretiger nog omknelde hij 't kraantje, met z'n beenen en romp weggedrukt achter de woelige jagende veilers, die in vuur van koop 'm niet doorlieten. Stil werkten z'n allééne handen en armstompjes in woeligen grabbel, als afgehouen levend, tusschen wat kleine ruimte-spleetjes, lieten ze 't waterstroompje de kom inkletteren. Zacht-voorzichtig werkten de roet-handen zich weer achteruit tusschen de lijven door, de zwarte vingers krampig strak in greep om den wit-steenen rand gekneld. Gejaagd slurpte stokersmaatje, ingebukt échter de ventersruggen in klokkende lafenis, z'n heete keel vol koude vloeiing begietend. Weer woelden z'n handen en armstompjes naar voren, tusschen dijen en koppen van laag zittenden, en weer slorpte ie bak na bak lauw vat-water in. —
— Gaif main d'r ook us 'n koppie, kost tug niks hee ? lolde Klaas Grint.
Maar roetgezicht van maatje, waarin de oogen nikkerig met 't vreemd-wild wit hadden opgelicht, was al weer verdwenen achter de kerels, in de stoom-heete, blakerende machine-kamer.
Weer acht bossen tolronde wortelen bracht Bode in veiling. Drie tegelijk dongen gretig, heet.
— Ksj----ksj !.... katjes ! joag d'r malkoar mo&r op....
schaterde de Bode.... dertig sint !.... veertig.... mooi soo.. ksj !.. kaik !.; da' hai je Antje Meele.... kom Teun !.. gaif toe !.... gaif toe.... 't is tug 'n maissie....