30
lende stemmen en giegelende kreetpretjes. Telkens klauterden andere kerels op en af 't machinescherm, naast en tegen de pijp lawaaiend, rond den ,,notaris", die overal spottend om z'n eeretitel beschaterd werd. Van hun hooge standplaats schreeuwden ze mee, boden, kochten en verscharrelden, de koppen, warm en zweetbedropen, paarsig en brons-nat, rood en geel-grauw aangegloeid in zonnebrand. Van achterdek af was alles plots naar voren gedrongen om vlak bij Bode te staan. Op kisten, morsige vaten, walm-stinkende manden en zakbul-ten, hingen en hurkten de kerels, in struikel en klauter, achter elkaar opgepropt.
De achtersten, ver van den Bode, loerden tusschen schoudergeultjes van vóórstaanden, in drom saamgestrompeld, heet op den scharrel.
— Veertig ! vrouw Plenk.... dreunde Bodestem.... vaif.. vrouw Boterblom.... naigtien.... mamselle Ki ester.... ses-tien.... vrouw Zeune !.. ..
Eindelijk had ieder z'n nummer, kon de veiling beginnen. Zacht briesden en woei-koelden luchtige windscheringen over 't smoezelige, walm-stankige dek, als ging er tochtige wiekslag van vliegende vogels rond. Recht voor den boeg, sprankelden waterglanzige sparteltjes licht, violet-zilverig, paars-goud, kabbel-deinend hemelblauw-vuur, dat in schuimig golfjes-spel zich heet verbraste in damp. Tusschen de fel-groen bezonde ochtend-oevers, komde in eindloozen kring, 't vlakke zonnig-nevelende polderland, in vochtige ochtendpracht. En overal rondgekringd, goudden de lage hooi-schelfjes, tusschen sidder-groei van korenhalmen, brokken weiland, ontsluierd uit morgennevel, uit nat-dampig goud en zilverende gloeiingen. Schitterig flitste 't dauw-vuur, dat mijlen ver, weiland aan weiland in arabesk vonkspel omtooverde.
Bode op z'n bank, hoog boven de opgepropte tuinders uit, al dichter op één punt van de boot bij eengedrongen, klankte met z'n jolige, rauw-heldere spotstem in :
— Wai selle d'r beginne met seve-en-twintig pond raspers van....