i2ó
zwavel-zoete geuren walmig verwasemden. Tot onder den stuurstoel, stapel-brokkelden de aardbeikisten en langs de reeling, propten, saamgekneld, bakken, vaten, manden, zakken, dat de kerels en vrouwen, in bochten er tegen elkaar opgedrongen stonden. Enge doorgangetjes, kronkelden tusschen de ladingen, waar 't landvolk eikaars lijf beschuurde, schreeuwerig verscharrelend en ruilend koopwaar die ze te veel hadden. Tusschen zakken gekneld, op manden of kisten neergestooten, sjacherden de zwoegers, klonken öp de gesprekken, levendig, krijscherig, overgoten van duffe groentestanken uit de achterkajuit opwalmend, voos en duf, zuur en ranzig. Aardbeien zoetten 't hevigst en weeïgst tusschen de mestige koolstanken. — Zwaar dampte uit, in de broeierig lange boot, hageldicht bestapeld, de stinkende kleeren der tuindersmannen en vrouwen, de zweetlijven, warme walg tusschen de gronderige stanken van 't groen. —
Prachtig, jubel-fel schalden de hooge groentebergen als festijnen van licht, tegen 't doortrilde, in zon-zwemmende lichtblauw. Daar onder, barokke wal van kleur-woelige kisten, met donkerder groen in onderschepte glansdempingen. Maar hoog-schuimend, gloeide kleurbrand van aardbeien boven alles uit. •—■ Versjofeld en kleurbemorst, scharrelden de tuinders bijeen, in de vroege ochtendboot, al meer, al méér, achter elkaar. Galm-luid, de klok van hoogen katholieken kerktoren sloeg vijf, bevend in de wegstilte en havenrust. Laatste bootsein van vertrek liet kapitein zangbassen over de ochtendleege havenkaai. — Wat karren met aardbei-aanvoer ratelhotsten kei-beukend weer weg, wreed rumoerend door de morgenstilte. Bas-zang van pijpen bleef seinen, als stemmegroet van tuinders naar de verre makkers op 't land, dat de reis naar de stad beginnen zou. Een dekknecht van ,,Tuinders Geluk", had plankier gelicht en ingeschoven, reeling saamgehaakt en kap-tein was op z'n stuurstoel geklommen. Statig liet ie draaien, 't kanaal in. — Uit 't boothart schokkerde machinedreun öp. Achter 'm aan, zongen pijpen van andere tuindersbooten, stem-zwaar en hevig vibreerend, dat de stille starende ochtendlucht