127
sidderde onder 't dreungeluid. Plots klonk jagend geroep, onder zwaar lommerende kastanjelaan uit, van twee groenboeren die zich verlaat hadden en meemoesten nog met ,,Tuinders Geluk". In vlieggang holden ze langs de stille huizen, kei en sintelpad over.
— Piet Groome en Anseeler, riepen 'n paar van de boot, over de reeling gebukt, — hee keptain ! t'rug !.... twee van Lemmer ! Hij had 't al gezien, toeterde wat zangerige woordjes door z'n spreekbuis naar machinekamer, waarop boothart heviger bonkte, de voorboeg achteruit bijdraaide, dat de kerels in hollende vaart, rood-bezweet, nog net tusschen kisten en manden, over verschansing, heenklauteren konden. —
Achter „Tuinders Geluk" lagen nog drie booten, ,,De Dageraad", „Ons Welvaren" en „Weltevreden" met tuinders volk van heinde en ver saamgestroomd, ongeduldig wachtend op vertrek van de voorliggende schuit. Ook daar stond 't landvolk, achter en tusschen de aardbei- en groentebakken opgepropt, ingekneld ; één donker-dreigende, sjofele kerels-stoet, vlak om 't koelscherm van machinekamer saamgepakt, weg-zwartend onder rookwolken van stoompijpen, die dreun-zange-rig doorbasten als duistere stem van zwoeg, somber-smartelijk, in den feilen klaterenden zonnegloei van polderlucht, in 't eindeloos blauw, en weigroen. —■
Stil zoeften de booten achter elkaar aan, de kerels en wat vrouwen, al meer opeengedrongen, donker tusschen den frisschen jubel en stoeiende kleuren van hun vruchten en waar. In de havenstilte, roerloos weer na zwijg van pijpzang, verdwenen de booten éen na één onder lage spoorbrug, 't kanaal in, dat wijd-geplast, zilver-vonkte en dampte tusschen onmeetlijk pol-dergroen. Stil druischten de kerels weg van wal, de donkere opgepropte stoeten, in de ochtendglorie ; zittend of half hangend op en over de verschansing, beklemd tusschen de neer-brokkeling der stinkende kisten, als 'n bende vervuilde schooiers en melaatschen, naarstiglijk verpakt en versjouwd, onder den heeten jubel van hun vruchtengloed. Al de booten waren „Tuinders Geluk" voorgedraaid. Langzaam zoefte die eindelijk, ach-