125
ruischte rond de tuindershuisjes en de roode bedakingjes vlamden licht-hel. —
Vandaag zou ie wat te plukken hebben, mijmerde Gerrit, speelsch drukkend z'n neuspunt tegen 't ruit, wiebelend op z'n hakken. Z'n rug zwoor en stak van pijn. Maar 't most, most nou. Hij had al dagen achteréén onrustig zitten piekeren,, dat 'r geen regen kwam, gejaagd, nou de boel zoo droog stond. Maar nou most ie maar doèn, doèn en niet seure....
Met hun drieën waren de kerels over 't erf den tuin ingestapt. Guurt drentelde weer op 't achterend, spoelde en sjokte, terwijl de kamer in ruischender glans van zonnige ochtendwarmte, sterker aangoudde, tot op 't slaapholletje waar vrouw Hassel staarde, en besmakte 'r droge dorstlippen. Op de tafel brokkelden nog broodhompen. Aarzelende glansjes van schichtigen prismaschijn uit geslepen spiegelrand je, kaatsten trillige vlakjes rood, goud en groen, op twee rood-aarden doffe bordjes.
Daar staarde ze op, vrouw Hassel, besefloos en traag, tot ze de kleuren voor 'r oogen zag verflakkeren. —
Buiten hurkte Kees al, in pluk bij de erwten. Nog 'n uur bleef Dirk werken op 't land, achter de wortelen. Eindelijk werd 't tijd voor 'm om op te stappen naar de haven. Nog 'n mandje pieterselie en postelijn, schokkerde ie over den schouder en stil liep ie den weg op naar de boot. Nou had ie zich nog puur te haasten merkte ie, toen ie even achter 't ruit gluurde, hoe laat 't was. — Kwart voor vijf. Om vijf uui precies ging de schipper van wal.
Zwaar hijgend, z'n mandjes dobberend op z'n rug, kwam ie snel de haven opbeenen. Maar ״Tuinders Geluk", de boot waar hij mee voer, lag er nog rustig, met vier andere schuiten achter d'r &an, hoog gestapeld 't schei-groene van kroppen, beflonkerend aardbeirood en wortelenoranje, tegen den blauwen luchthemel in, die diep en wijd lichtte, in strakke, fel-heete zonnigheid al. —
Op achter-en-voordek, stonden de groenboeren saamgedrongen, in hun sjofele plunje, tusschen de dreigstille punthoekende hurrie van hoog opgestapelde kisten en mandwallen, waaruit