123
— Wa sloapmus, jai toch, gromde ie, soo'n jonkie !
Na 'n kwartiertje rondgeslenter en gedribbel, sluipzacht op 'r kousen, had Guurt de kerels bakken koffie en hompen brood voorgeschoven. Gretig schuifelden de mannen hun stoelen aan, neerblokkend met armen op tafel, hoofden gebogen over hun dampende koffiebakken, slurpend, gaperig, rekkend en korrelig-stil. Rond hen, walmde slaapstank van 't kamertje, dat al zacht volgevloeid glansde van vreemd, gloed-stil ochtendgoud. Roodflonkerende zonnedans koperde bliksempjes op de staartklok-gewichten, op 't pronkstelletje, tang-pook-schep, onder het schuingetimmerde, versierde hoekschoorsteentje. —
Langzaam, in bedaarde ouderwetschheid tiktakte de klok, zacht-vlammig aangegloeid rond de gewichten. — Guurt had 't duifje losgedekt en daadlijk koerde z'n kopje als van verre, droef door de kamerstilte heen, waar alleen smakten en slurpten de wreede werkersmonden, en de klok dreinerig ti-jik.. .. takte.... —
Moeder Hassel lag, met opengesmakte deuren, de kamer in te staren, bleek beslaapmutst hekserig hoofd, op peluwgrauw, de uitgedoofde staaroogen naar de slurpende kerels. — Ze hoorde koffie slurpen ; dat geluid kende ze. Ze zag 't, voelde, besnuffelde 't, met wilde, gesperde neusgaten. — Dat geluid haakte vast in 'r ooren, 't hoofd, bleef in 'r herinnering leven.... Woest instinkt naar koffieslurp. —■ Telkens gretig, even keek ze naar Guurt, als wist ze nu klaar, dat ze 't van die moest hebben. Maar de kerels hapten door, slurpten onverschillig. Guurt klepperde nog 'n roodaarden bord voor hen neer, waar ze weer hompen brood op afsneed, slurpte zelf mee, gejaagd zittend op stoelpunt, ongewasschen in blauw-korten onderrok nu. Stil slurpte d'r mond in doorzond ochtendgoud van kamer, 'r blond hoofd in stil aureool. Buiten, achter 't raam, glansden de akkers in aanbrandenden gloei van zonnekomst.
— Nou Ouë, gromde Dirk plots, kauwend en slikkend dat ie niet verder spreken kon eerst — aa's 'tr nou moar puur om drie uur, de oarbei-boel dur stoan, an de markt hee ? daa'k