122
wemeling van al meer aanstommelend landvolk en roezemoes van stemmen, achter hitterook uitkrauweiend, tot ie doorzopen, landerig en woedend, tegen tien uur naar huis waggelde.
III.
Om drie uur den volgenden ochtend, kwam er kort-driftig gestommel in de duister-beluikte woonkamer van ouën Gerrit. Zurige zweetlucht vervunsde uit de krottige slaapholletjes. Dirk uit 't donker bedsteetje, was opgesprongen, over Piet heen, nog slaperig en gaperig, rauw van pijn, geradbraakt van vermoeienis en katterigheid. Branderige matheid voelde ie door z'n lijf loomen. Driftig schouerbonkend stootte ie Piet op, die nijdig even gromde, maar dadelijk weer insnurkte. Dat maakte Dirk kregel en snauwender porde ie ouë Gerrit en Guurt, dat ruw z'n korte stem, kamerochtend-stilte doorscheurde. Wijê gapen loeide ie koeïg door 't vertrekje, dan vlak tegen beschot, dan vóór bedsteedonker, telkens zich rekkend in achterwaart-schen lijfkronkel, armen omhoog gerengeld en vingers verkrampt in slaapzoeten wellust, dien hij machteloos-heerlijk door z'n lijf voelde terugstroomen, tegen z'n luiigen lijfrek in. Langzaam slofferde ie op z'n kousen naar buiten waar ie de luiken van de ramen losmorrelde. Onder de pomp beplaste hij z'n gezicht, luchtigjes met water, vies van 't nattige dat z'n hemdsmouwen en hemdboord beklefferde, en in branderige straaltjes tot op z'n naakte borst afdroop. —
Guurt was gauw opgestaan. —In 'r nachtpon, haarhang opgebonden in woesten kronkel, maakte ze vuur op 't achterend, drentelde rond de stellen en zette boterhammenkoffïe. — Ouë Gerrit en Piet in hun rooie onderbroeken waggelden nog slaapdronken en grommerig door de kamer, loom en lijzig hun boven-kleeren aansjokkerend. Even bleef Piet hang-zitten op z'n stoel, klepten z'n oogleden dicht, hield ie z'n stinkende pilow, half over z'n dijen getrokken, slap in de slaaprige, krachtlooze knuist. Ouë Gerrit, in schreeuw, schrikte 'm wakker.