113
achtig.. te Rottèrdam.. Wagestraat zes en zestig.... uw eensklaps.. heeft genezèn.... van allen pijnen.... allen smarten .... allen zinkens.... allen rheumatismen.... waarme-dèn.... uw aangèzicht.... bezwangèrd was.... Spréékt ! ... Hebt gij pijn ? nü nog ?
— Nou f'vloekt.... nou hè'k puur main droai... dut is d'r tüg 'n meroakel !.. ikke voel puur niks meer.. niks !..
Verbaasd drukte ie z'n hand op z'n kies, om te voelen of ie 'r nog zat. Triomf vonkte er in oogendonker van zwarten Jood. Deftig z'n hoed lichtend van den kop, met ciergebaar, vér groetend en buigend lichtelijk voor den kring, krijschte plots z'n stem, heftig :
— Maaaarrrr !!.... nu ziét gij.... dat hét wonder.. heeft plaats., gègrepén.... Dezèn jeugdigèn vriend.... door mij aanschouwt.... begeeft zich tot mij.... zoekend.... naar genèzing.... van dén martelingèn.... des kiespijns.... Hij komt tot mij.... uw allèr vriend.... met dén hand.. aan dén mond.. een gèzicht.... vertrokken van smart.. En ik.. naar gij zaagt.... geeft hém.... eenigen druppèllèn.... van mijn vocht... En éénen.... minuut.... staat hij hier.... hij drinkt van dit.... ijskoud heraldisch water.... en spoelt zich.... onder... mijn toezicht.... En eensklaps... weg... is allen... pijnen.... allen koortsen.... Onthoudt nü.... geëerden menschen.... dat hij èènen.... minuut.... voor hij.... hier kwaamt.... voör mijnèn tafel.... nog hinkten.... nog jammerden en weènden.... van smarten....
En spreekt nü.... weer jonggèlingg !... En zeg.... niets.. dan dén.. waarheid.... alleen en uitsluitend den waarheid !..
Moor-Jood keek doordringend den slungel aan, die maar knikte van ja, ja, verlegen, sip, met z'n kaasjes weer stevig onder de armen gekneld. Uit z'n twee logge jekkerzakken, onder z'n ellebogen, drongen hooger z'n geel-glanzende kom-kommerpunten. Komisch verbluft, draaide ie om de kruk rond, staarde ie op naar den Jood, knikte en stamelde tegen de menschen, dat ie heelemaal niks meer voelde..
— Debies, dutte is d'r puur 'n meroakel, riep Dirk Hassel
II. 8