110
Komt ééns hier.... gij vriend.. ja !.. lég u .. kaasjès.. maar neder!
— Komp nou op de koffie hee ?.... die bi'-je t'met kwait, schreeuwde één heesch, uit de menschenprop.
— Leg., uw.... kaasjes.... maar hier.... néder!., mijn vriend.... Hun zal.. géén leed u geschiedèn.... Neen ! kom niet.... allen drie!.... tegèlijk.. Gij alleen., ja., laat üw
kazèn.. maar los !.. wéés niet.. zoo bèvreesd.... Gij____
alzoo !.. juist.. hier !.. maar.. op dén straat.. jongèn vriend.
Wat schéélt u ?... en waar maakt gij.... u bezorgd ovèr ? Zeg hét mij gerust.
— Nou ?.. .. joa kaik.... doar.. .. achteran.... in main bek hee ?.... aarzelde bleekig van angst en verlegenheid de slungel, die bangelijk z'n kazen op de straat had gezet, er telkens naar glunderend, of iemand in den kring ze ook vergoo-chelde.
— Hoe is üw.. naam.... jongèn.. vriend?., èn waar., woont gij ?....
Van z'n stoelhoogte had tandentrekker zich voorover gebukt naar den beschroomden slungel, die met open mond, wijd gesperd, wat terug stamelde op z'n vragen, terwijl de Jood, ingezakt, beenen gekromd, 'n vies tangetje tegen de rottig-groene tanden van den jongen aantikkerde.
— Hier zit hij., niet waar vriènd ?.. juist., dézen., juist dézen.... dien doet u.. pijn? niet jongèling ?. . ..
Harder tikte ie tegen 'n bovenkies aan, en de jongen, beverig van pijn en benauwing, met z'n kop in den nek gedrukt, z'n schonkige schouders van angstigheid hoog-scheef opgetrokken, oogen duizelig hemelruim instarend, schokkerde, kwijlde op Jood's hand, stotterde wat woorden, achter gerommel van vuil-roestige tangetje, dat z'n mond inwoelde. —
— Hier hèbt gij.... pijn niét ?.. ..
— Nou.... nou.... auw !.... ik f'rek puur fé' pain !....
— Zekér.. vriend !.. stil moar ! Houd üw hoofd. . wat hoogèr!____
De twee andere patiënten, bleven gejaagd kijken, van den