102
lijzerig staan kijken, bot, den mond van loome verbazing open-gegaapt. —
Dirk was uit de kroeg, op 't walmgerook toegesprongen in den kring, verbluft öpstarend naar den kwakzalver, als zag ie 'n wonder uit den hemel tusschen 't havengewoel neergestort.
Onder de kastanjelaan woelde marktgescharrel, 't drukst nu, rond de kleine tentjes en groenteuitstallingen. — De groote huisramen gloeiden rood in 't zonnezinken, vreemd flonkerend, fel in gouden mist, onder den zwoel-duisteren bladeren-schemer uit, rooden gloed, die diep, diép, 't marktkrioelen in bloedende gamma's overleefde, achter de trillende boomscha-duwen. In den geheimvol verwaasden ruitenbrand, mysterische vensterstaar, onder 't scheemrige perspectief van havenlaan, stak zonnezink telkens andere ruiten aan, die vlamden in lichter en donkerder gloei, tusschen het lommerig duistergroen dóór. Daar onder, en vóór, joeg wilder gedrang en gedraaf óp en neer van kerels en vrouwen, in gekrijsch, geslikkerbik en ruwen klinkklank, öm de poonen- en stinkende scharstalletjes. Meisjesgegil joolde, tuinders lolden, dronken, in woesten stoei. En dwars door den brandgloed van ruiten, titaanden ze óp, naar 't vlammegekring en getoeter van den Jood, met z'n makaber trompetgekrijsch en rossig-rookige toortskringen. Onder 'n oppropping van goud-gele, bronzen en bruine tentwagens, vóór kroegen en huizen uitgespannen, wiel- en rug-beflitst, holde 't landvolk naar den trompetter, in gejaagder tempo. — Nieuwsgierig, verhit en afgebeuld, trok ènger en meer rijend achter elkaar, 'n kijkkring om den Jood. Telkens kwam karrendrom dwars door achterste loerders heendringen, in gesnauw, gevloek, geraas, verbrokkelend den stoet, maar aldoor vulden de gaten, propte zich voller de kijkkring. — Jood had goed rondgekeken, sluwigjes zich neergezet op plek waar de booten 't hoogstmurend al volgestapeld stonden, de sjouw aan 't af-loopen was. 'n Tuinder had 'm gezeid dat ie doodgegooid zou worden met bakken en mandefi, als ie eerder begon. En stil, taai-rustig had ie gewacht, rondloerend met den heeten gitglans van z'n oogen, berekenend wanneer ie z'n slag moest slaan.