Menschenwee, Derde boek, Zomer

Titel
Menschenwee, Derde boek, Zomer

Jaar
1903

Druk
1903

Overig
1ed 1903

Pagina's
456



101

afpauken in 't geraas. Hem voorbij, in nijdige onverschilligheid, donderde 't gewoel en gedraaf, gebroei en geschroei der zweet-zwoegende kerels. Geweldige lasten voortzwoegende paarden zwenkten schurend langs z'n hoog standaardtafeltje. Ezeltjes huilbalkten achter z'n rug, en in loomen luister naar z'n getoeter en getjing-sjing stonden paardkoppen rondom, vlak tusschen het tuinders-gewoel, met heftigen tril van hun oortjes. — Wèg bleef 't luistervolk, nog gebukt in sjouw, en sterker toeterden en dreunden de moorjood trompetscheuren, heet als schuimflitsen van golflicht, hooggoud en brandend rood, over 't woeste hurrie-rondkolkend marktgetier. — Eindelijk wat jongens en kerels, gedaan met sjouw, bleven hangerig en landerig staan voor z'n tafel, lacherig of in stompen staar bot opkijkend naar den trompettenden Jood. — Grinnekend scholden ze 'm uit, krijschte een roomsch-nijdige kop, fel-spot-tend en dik-tongig.

— Enne.... aapramm.... gewon Isaak !... enne Issaakh !.. gewon Sjakop enne.... Sjakop'r.. gewon., heè ! rot-smaus, appie !.. .. d'ur is d'r 'n goatje in je trepetter ! —

Maar Jood bleef star-kalm in z'n donkere figuring op de kruk, z'n vonk-zwarte oogen, hevig suggereerend in z'n hoofd. Stil had ie op z'n tafeltje de trompet en tsjing neergelegd, groote toortsen papier gerold en in brand gestoken, dat ze rookvlam-den in z'n handen. Zachte kringen van vlammenlicht, zwierden hoog om z'n zwart hoofd, donkerend tegen den laag-stralenden zonschijn in. Walm-rook dampte blauwige mist rond z'n hoog-staand lijf, dat reuzigde tegen de polderlucht. Telkens als toortsen bijna uitgebrand waren, rolde ie met linkerhand nieuwe, zwaaide ze in kringen, dan één, dan twee, geheimzinnig om z'n gelaat; stak weer andere aan, wierp wèg de uitgebrande. — Nu en dan bazuinde ie tusschen het smokige, roetige gloed-rood gewalm, in den mist van z'n mysterieuze goochelsfeer trompetklanken uit, dat angstiger, burlesker, z'n omdampt-moorsche kop scheen te zwellen tegen 't hemel-rood in. —

De jongens schaterden om mallen Jood, maar kerels nu bleven

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.