99
kend naar den grooten verren donder der stad, toestoppend den grommenden lekkenden reuzigen muil van het zwelgend, vraat-dolle, hongerige massa-monster, waar zij nu voor saamstroomden, met hun lévende waar, doorzogen van hun zweet; kerelsstoeten, onbewust van hun demonischen aanvoer, hun luidruchtige geweldigheid, en heet-koortsend kleurenbrio, hoo-rend in 't kraterend marktgeraas, echo van den ontzettenden honger-grom van stads-strot. — Al maar, achter de kastanjelaan uit, van steegjes en weegjes, doken de karren öp, nu drukker in bedrijvig gedrang bij den molenkant van station. Ze waggelden de wagens, zwanger van hun vrachten, ratelden, hotsten heviger, alle door 'n blondroode baan van licht heen-wadend, doortrilden gouddamp, die achter hun koppen, hun waar, bleef hangen als 'n bevende nevel, laat zonnevuur waaruit ontzag'lijk, reuzige menschen groeiden. Eindelijk, hun lijven en karren, dromden buiten de lichtbaan, die zich achter hun koppen weer sloot als 'n wolkerig wonder van goud-roode glansen.... Al lager sloeg 't zonnevuur de haven in tooverroes van kleur-vlammige schijnsels, als gebroken licht-vitrails, in scherven en brokken rondgestrooid over keien, sintelgrond, karren en vruchten, hout en steen ; vlammige brandingen van 'n Juli-avond, waarin 't marktgedruisch ziedde, kookte, in helle-sfeer van broeiing. —
De booten stonden al hooger opgestapeld, achter en öm de donkere pijpen en koelkast, boven machinekamer. Gedraaf, hijgend öp en af de plankieren daverde en krioelde langs den wal. Te zinken dreigden de schepen van overvolle angstig-dicht opgepakte vracht. Burchten van ruw hout, in al woester koloriet, waar de late zon op neerlekte lichtvlammen, 't Hoogst, boven de bakkieuren uit, roest-rood, brons, groen, hei-blauw, goud-geel, bleven de aardbeien gloeien in hun ijl-zang van hel inkarnaat, purperend zonnegoud opzuigend ; de bakken vol-gedaverd van lichtende vruchtjes. — Daartusschen pyrami-daalden bergen doppers, selderie, sla, postelein, wortelen, tuin-boonen, bergen groen en oranje. — De bloemkoolen schaars aangevoerd van polder, stonken tegen de aardbei-zwoelte in,